Startersvrijstelling volgens rechtbank geen verboden discriminatie

De leeftijdsgrens voor de startersvrijstelling is niet discriminerend. De rechtbank Gelderland heeft dat oordeel uitgesproken. De voorliggende zaak betreft een belastingplichtige van 50 jaar. Hij koopt in 2021 een woning. In de akte van levering staat dat 2% overdrachtsbelasting is verschuldigd. De belastingplichtige is het hiermee oneens en gaat in bezwaar. Hij is van mening dat hij aanspraak kan maken op de per 2021 ingevoerde startersvrijstelling. Als hij in bezwaar aan het kortste eind trekt, besluit hij naar de rechtbank te stappen. De rechtbank oordeelde recent op dezelfde wijze; deze belastingplichtige mag de startersvrijstelling dus niet toepassen. Volgens de rechtbank vormt de startersvrijstelling geen verboden discriminatie. In dit artikel een toelichting op deze uitspraak en tevens een korte uitleg van de startersvrijstelling. 

De startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting

De startersvrijstelling is sinds 2021 opgenomen in de wet. De regeling leidt ertoe dat belastingplichtigen die jonger zijn dan 35 jaar, een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting kunnen krijgen bij de aankoop van een woning. De koper moet dan wel zelf in de woning gaan wonen, de woning mag niet meer dan € 400.000 kosten en de vrijstelling mag niet eerder zijn toegepast. In de zaak van de 50-jarige belastingplichtige is aan alle voorwaarden voldaan, maar niet aan de leeftijdsvoorwaarde. Deze huizenkoper is immers ouder dan 35 jaar. Hij meent echter dat deze leeftijdsgrens discriminatie vormt en dat hij daarom aanspraak moet kunnen maken op de vrijstelling.

Huizenkoper meent dat startersvrijstelling verboden discriminatie vormt

De belastingplichtige in deze zaak is dus van mening dat de leeftijdsgrens die voor de startersvrijstelling is opgenomen in de wet, discriminerend is. Hij voert aan dat de vrijstelling voor een behoorlijk deel wordt gebruikt door personen die al huizeneigenaar zijn en dat het percentage huizenkopers dat jonger is dan 35, nog niet de helft van de markt bedraagt. Concluderend meent deze belastingplichtige dat de vrijstelling zijn doel voorbijschiet en vooral een prijs opstuwend effect heeft. De Belastingdienst is het daarmee oneens.

Hoe beoordeel je of sprake is van verboden discriminatie in wetgeving?

De rechter moet beoordelen of de startersvrijstelling verenigbaar is met de discriminatieverboden uit de internationale verdragen. Deze verdragen verbieden echter niet iedere ongelijke behandeling van belastingplichtigen. Verboden discriminatie treedt op als een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling niet aanwezig is. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als de doelstelling die is nagestreefd niet gerechtvaardigd is of als de maatregel in geen verhouding staat tot de doelstelling. Bij het maken van wetgeving heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid, zodat de rechtbank, behoudens bij discriminatie op persoonskenmerken zoals ras, slechts kan ingrijpen als iedere redelijke grond afwezig is.

Rechtbank: de startersvrijstelling vormt geen verboden discriminatie

De doelstelling van de wetgever blijkt duidelijk uit de parlementaire geschiedenis. De startersvrijstelling is ingevoerd met de bedoeling om de positie van koopstarters op de woningmarkt te verbeteren. Het grootste deel van de starters is jonger dan 35 jaar en daarom is deze leeftijdsgrens door de wetgever gekozen. Door het werken met een duidelijke leeftijdsgrens als voorwaarde, is de regeling snel inzetbaar en voor de Belastingdienst uitvoerbaar. Daarnaast maakt de wetgever inzichtelijk dat de gekozen leeftijdsgrens is gekozen op basis van degelijk onderzoek.

De rechtbank meent dat bovenstaande afwegingen laten zien dat de wetgever niet een keuze heeft gemaakt die van iedere redelijk grond is ontbloot. Hieruit volgt dat de vrijheid die de wetgever geniet bij het vormgeven van wetgeving, met de invoering van deze leeftijdsgrens niet is overschreden. De ongelijke behandeling van starters van 35 jaar of ouder tegenover starters jonger dan 35 jaar, vormt in deze situatie geen verboden discriminatie.

Vervolgprocedure over het oordeel dat de startersvrijstelling geen verboden discriminatie vormt?

Dit type procedure komt meestal voort uit principiële overwegingen. De verwachting is dan ook dat deze zaak nog aan het gerechtshof voorgelegd zal worden in hoger beroep. Ondanks dat er zeker iets voor is te zeggen dat de wetgever een arbitraire leeftijdsgrens heeft getrokken, is het oordeel van deze rechtbank duidelijk: de startersvrijstelling vormt geen verboden discriminatie. Als gevolg van deze uitspraak, heeft de belastingplichtige dus geen recht op toepassing van de startersvrijstelling. De wetgever heeft met deze leeftijdsgrens dus niet de vrijheid die hij bij het maken van regels heeft, overschreden. Zoals gezegd is dit type zaak vaak principieel van aard, dus is het nu afwachten hoe een (eventueel) gerechtshof over deze kwestie denkt.

 

Bronnen:

Rechtbank Gelderland 7 juni 2022 (ECLI:NL:RBGEL:2022:2814)