Rechtsherstel box 3 nader uitgewerkt met besluit

Het Kerstarrest van 24 december 2021 heeft tot veel ophef geleid. Duidelijk is dat een groep belastingplichtigen recht heeft op rechtsherstel. Zij zijn jarenlang geconfronteerd met een onrechtmatige heffing in box 3. Door middel van een beleidsbesluit van 28 juni 2022 heeft de staatssecretaris de kaders uitgezet voor dit rechtsherstel. Het besluit – dat ik in dit artikel toelicht – ziet op de jaren 2017 tot en met 2022. In dit artikel ga ik in op de groep belastingplichtigen die rechtsherstel kan krijgen en de wijze waarop dat gebeurt. Daarmee komt het rechtsherstel box 3 steeds dichterbij.

Wie krijgen rechtsherstel voor hun box 3 heffing?

Het rechtsherstel ziet op aanslagen inkomstenbelasting met een box 3 component over 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 en (straks) 2022. Er zijn drie groepen belastingplichtigen die voor dit rechtsherstel in aanmerking komen:

  • Ten eerste de belastingplichtigen die tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de box 3-heffing over een of meerdere van deze jaren en van wie het bezwaar als massaal bezwaar is aangewezen. Deze massaal bezwaren zijn door de staatssecretaris reeds toegewezen;
  • Ten tweede de belastingplichtigen die een aanslag over een van deze jaren hebben die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond;
  • Ten derde de belastingplichtigen van wie de aanslag over een van deze jaren nog niet is vastgesteld. De staatssecretaris merkt in het besluit terecht op dat hier strikt genomen geen sprake is van rechtsherstel, maar omwille van de eenvoud wordt deze groep hier wel benoemd.
Uitgangspunten bij het bieden van rechtsherstel

De werkelijke samenstelling van het vermogen vormt het uitgangspunt bij het bepalen van het rechtsherstel. Dat gebeurt door middel van het onderverdelen van het vermogen in: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. De wetgever heeft voor iedere categorie een onderbouwd forfait bepaald met de bedoeling om meer aansluiting te vinden bij de werkelijke gang van zaken. Het forfait voor banktegoeden is gebaseerd op de rente deposito’s, voor overige bezittingen is aangesloten bij het ‘oude’ forfaitaire rendementspercentage klasse II en voor schulden is aansluiting gevonden bij het gemiddelde rentepercentage op uitstaande hypotheken. Dit laatste bevreemdt enigszins, omdat het nu juist hypotheken zijn die vaak niet in box 3 vallen. Aansluiting zoeken bij de rente op consumptieve kredieten was meer passend geweest.

Niet alle belastingplichtigen krijgen rechtsherstel. Indien uit de berekening een hoger belastingbedrag volgt dan op grond van het ‘oude’ systeem, dan is het niet zo dat een hogere aanslag volgt. Belastingplichtigen die in aanmerking komen voor rechtsherstel, kunnen er dus alleen op vooruitgaan voor wat betreft de box 3-heffing. De overige gevolgen voor de inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke regelingen, maken het geheel echter meer complex.

Het berekenen van de omvang van het rechtsherstel

Zoals aangegeven is de werkelijke vermogenssamenstelling bepalend voor de uitkomst van de rechtsherstelberekening. De eerste stap is daarom het vaststelling van de vermogenssamenstelling. Vervolgens is de tweede stap het loslaten van de forfaits op de vermogenssamenstelling. Dat leidt tot inzicht in de ‘rendementen’ per categorie. Rendementen tussen aanhalingstekens, omdat ook deze systematiek niet volledig uitgaat van de werkelijkheid; er zijn immers forfaits gehanteerd. Voor 2021 gelden bijvoorbeeld de volgende percentages:

  • Banktegoeden: 0,01%;
  • Overige bezittingen: 5,69%;
  • Schulden: 2,46%.

Daarna is het zaak om (stap 3) het berekende rendement af te zetten tegen de rendementsgrondslag. De rendementsgrondslag is het saldo van bezittingen en schulden. Dit afzetten leidt tot inzicht in het rendementspercentage. Het rendementspercentage is belangrijk om de uiteindelijke belasting te kunnen berekenen. Met behulp van dit rendementspercentage (stap 4) berekent men namelijk het box 3-voordeel. Een voorbeeld in de volgende paragraaf maakt dit inzichtelijk.

Een voorbeeld van de berekening van het rechtsherstel

Onderstaand voorbeeld is ontleend aan het besluit van de staatssecretaris en cijfermatig ongewijzigd overgenomen.

Een belastingplichtige heeft op 1 januari 2021 het volgende vermogen:

  • Bank- en spaartegoeden: € 110.000;
  • Overige bezittingen: € 100.000;
  • Schulden: € 10.000.

De rendementsgrondslag bedraagt dan € 200.000 (110.000 + 100.000 – 10.000). Dat is immers het saldo van de bezittingen (categorie 1 en 2) en de schulden (categorie 3). Verder is de grondslag sparen en beleggen € 150.000. Dat is de rendementsgrondslag (200.000) vermindert met het heffingsvrije vermogen (50.000 in 2021).

Deze belastingplichtige moest op grond van de ‘oude’ regels uiteindelijk afrekenen over een voordeel uit sparen en beleggen van € 5.450. Als uit de berekening van het rechtsherstel een lager bedrag volgt, dan vindt toekenning van het rechtsherstel ook daadwerkelijk plaats.

De eerste stap is het verdelen van het vermogen in de drie categorieën. Dat hebben wij hierboven reeds weergegeven. Daarna moet per categorie het forfait worden toegepast. Dat leidt tot de volgende uitkomsten:

  • Het rendement op banktegoeden bedraagt € 11 (110.000 * 0.01%);
  • Op de overige bezittingen bedraagt het rendement € 5.690 (100.000 * 5.69%);
  • Het rendement op schulden bedraagt € 246 (10.000 * 2.46%).

Het totaal rendement voor het berekenen van het rechtsherstel bedraagt dan € 5.455 (11 + 5.690 – 246).

Vervolgens berekenen we het rendementspercentage. Daartoe zet men het totaal rendement af tegen de rendementsgrondslag. Dat leidt tot een rendementspercentage van circa 2,72% (5.455 / 200.000). Met dat percentage van 2,72% berekenen we vervolgens het nieuwe box 3 voordeel. De grondslag sparen en beleggen van € 150.000 leidt dan tot een box 3 voordeel van € 4.091. Dat is minder dan de eerder berekende € 5.450. Rechtsherstel vindt daarom plaats.

Rechtsherstel in de praktijk

De Belastingdienst voert het rechtsherstel uit. Voor reeds vastgestelde aanslagen geldt dat vermindering van de opgelegde aanslagen plaatsvindt. Belastingplichtigen hoeven daar geen verzoek voor te doen, maar ontvangen hierover vanzelf een bericht. De wijzigingen in het box 3 voordeel, kunnen leiden tot wijzigingen in andere inkomstenbelastingposten en/of inkomensafhankelijke regelingen. Daardoor kan de impact groter zijn dan voorzien. Is een belastingplichtige het oneens met de wijze waarop uitvoering aan het rechtsherstel is gegeven, dan moet hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen. Dat zal de Belastingdienst waarschijnlijk afwijzen, maar daarmee creëert hij wel een rechtsingang voor bezwaar en beroep.

Is de aanslag tot op heden niet vastgesteld, dan zal de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslag al uitvoering geven aan het rechtsherstel. Als het goed verloopt, volgt dan een aanslag naar de laagste van de twee uitkomsten (de wettelijke systematiek en het rechtsherstel). Wij adviseren belastingplichtigen goed te (laten) controleren of dat ook daadwerkelijk gebeurt.

Rechtsherstel box 3: advisering en vervolg

De wetgever werkt hard aan de invoering van een systeem waarin over werkelijke rendementen heffing plaatsvindt. Zover is het echter nog niet. Ook de Belastingdienst doet zijn best, maar geeft terecht aan dat het bieden van rechtsherstel een enorme operatie is. Kers op de taart vormt dan nog het feit dat de wetgever niet kiest voor herstel over het daadwerkelijke rendement, maar blijft werken met forfaits. Het zou ons dan ook niets verbazen als ook over het rechtsherstel weer de nodige procedures volgen. Wij adviseren en ondersteunen zowel belastingplichtigen die hun box 3-rechtsherstel willen laten controleren, als belastingplichtigen die menen dat ook onder het rechtsherstel, nog sprake is van onrechtmatige heffing. Meer weten?

 

Bronnen

Beleidsbesluit box 3

Kerstarrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1963)