Belastingrente onterecht wegens schending zorgvuldigheidsbeginsel

Belastingrente is verschuldigd op het moment dat het vaststellen van een belastingaanslag door toedoen van de belastingplichtige te lang op zich laat wachten. Daarbij ontstaat met zeer enige regelmaat discussie over de rechtvaardigheid van de belastingrente. Zo ook in de zaak die ik in dit artikel bespreek. De belastingplichtige meent dat de Belastingdienst, omdat deze onzorgvuldig heeft gehandeld, geen belastingrente op mag leggen. De Belastingdienst ziet dat echter anders. De rechter gaat uiteindelijk mee met de argumenten van de belastingplichtige en dat leidt tot een behoorlijke verlaging van de belastingrente, omdat de belastingrente onterecht is opgelegd.

Weigering verzoek om voorlopige aanslag leidt tot belastingrente

Een belastingplichtige verzoekt in juni 2020 om oplegging van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2019. Hij verwacht namelijk een inkomen van zo’n € 270.000 te hebben. Op het verzoek volgt na een periode van drie maanden een afwijzing. Deze afwijzing is – zo blijkt later – geautomatiseerd afgegeven. Het systeem van de Belastingdienst is echter zo ingericht dat bij een verzoek om een voorlopige aanslag ná 1 mei van het jaar waarin de aangifte moet worden gedaan, direct een afwijzing volgt. De afwijzing is gebaseerd op de regel dat de termijn voor het doen van aangifte is verlopen op die datum.

Begin 2021 doet deze belastingplichtige uiteindelijk zijn aangifte inkomstenbelasting over 2019. De Belastingdienst volgt deze aangifte en brengt ook een bedrag van bijna € 2.400 aan belastingrente in rekening. De belastingplichtige is het hiermee oneens, maar trekt in de bezwaarfase aan het kortste eind.

Belastingplichtige meent dat belastingrente onterecht is

De belastingplichtige meent dat de onterechte weigering om een voorlopige aanslag op te leggen, tot de belastingrente heeft geleid. Zou een voorlopige aanslag overeenkomstig het verzoek zijn opgelegd, dan was de belastingrente immers aanzienlijk lager uitgevallen. Het standpunt dat zijn verzoek onterecht is geweigerd, baseert hij op het feit dat de aangiftetermijn voor hem niet kan zijn verlopen, omdat hij nooit is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting over 2019. Voorts had de Belastingdienst hem moeten verzoeken alsnog belastingaangifte te doen naar aanleiding van het afwijzen van zijn verzoek. De handelswijze van de Belastingdienst is – kortom – te bestempelen als zeer onzorgvuldig. Concluderend stelt de belastingplichtige dat de belastingrente onterecht is opgelegd.

Belastingdienst verdedigt weigering en belastingrente

De Belastingdienst kijkt uiteraard anders tegen de zaak aan. Hij meent dat de belastingrente overeenkomstig de wettelijke regels daarvoor is opgelegd. In de wet staat immers dat een voorlopige aanslag kan worden geweigerd op het moment dat de belastingplichtige niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan. Kortom: hij heeft slechts die regel uit de wet toegepast. Daardoor bestaat volgens de Belastingdienst geen aanleiding om de belastingrente te matigen. Samengevat: de Belastingdienst heeft de belastingrente niet onterecht opgelegd.

Rechtbank oordeelt dat weigering voorlopige aanslag onterecht is

De rechtbank velt eerst een oordeel over de weigering van de Belastingdienst om een voorlopige aanslag op te leggen. Deze weigering was onterecht. De belastingplichtige is niet uitgenodigd om aangifte te doen, dus een afwijzing van het verzoek wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte, is hier niet mogelijk. Dat de afwijzing geautomatiseerd plaatsvindt, is bovendien niet het probleem of het risico van de belastingplichtige. De Belastingdienst had zorgvuldiger moeten handelen in het kader van de afwijzing van het verzoek, maar heeft dat niet gedaan. Verder vindt de rechtbank het niet correct dat het verzoek eerst drie maanden is blijven liggen, als gevolg waarvan eveneens een rentenadeel ontstaat. Kortom: de Belastingdienst had zorgvuldiger moeten handelen bij het nemen van het besluit over het wel of niet opleggen van een voorlopige aanslag.

Schending zorgvuldigheidsbeginsel en matiging van onterechte belastingrente

De rechtbank is het dus met de belastingplichtige eens dat de Belastingdienst onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarmee is het zogenaamde zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De opgelegde belastingrente komt daarom voor matiging in aanmerking. De rechter verlaagt vervolgens de rente van circa € 2.400 tot € 63. Dat geen belastingrente zou zijn berekend als de belastingplichtige uit geheel eigen beweging eerder zijn aangifte had gedaan, maakt namelijk niet dat de Belastingdienst niet of minder zorgvuldig hoeft om te gaan met een verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag.

Zorgvuldigheidsbeginsel en behoorlijk bestuur

De Belastingdienst moet zich aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur houden. Daartoe behoort ook het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat de Belastingdienst een besluit zorgvuldig moet voorbereiden, zodat het vervolgens zorgvuldig kan worden genomen. Hieruit volgt dat de Belastingdienst ernaar moet streven alle feiten en omstandigheden te verzamelen en bij de besluitvorming te betrekken. Niet zelden ontstaan geschillen over het handelen door de Belastingdienst. In deze zaak ging het bijvoorbeeld om de vraag of de Belastingdienst voldoende zorgvuldig is geweest bij weigeren van het opleggen van een voorlopige aanslag. Meent u dat de Belastingdienst in uw zaak onzorgvuldig handelt of dat de Belastingdienst zich op andere wijze niet aan de regels houdt? Dan is het raadzaam om een specialist in de arm te nemen om uw rechten in kaart te brengen en te waarborgen. Neem voor vragen daaromtrent gerust eens contact op via info@civra.nl of onderstaand formulier.

 

Bronnen:

Uitspraak van de rechtbank met kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2022:7016

Lees ook onze artikelen over:

De suppletieverplichting in de omzetbelasting

Belastingrente

Vermindering en maatwerk belastingrente 2023