Stel een vraag
Renteaftrekbeperking artikel 10a Wet Vpb 1969: toepassing en tegenbewijs
ArtikelenHerstructurering en overnameVennootschapsbelasting kopieer en deel Naar kennisbank

Renteaftrekbeperking artikel 10a Wet Vpb 1969: toepassing en tegenbewijs

  • Publicatiedatum 13 jan 2026
  • Aanpassingsdatum 24 jan 2026
  • Leestijd 19 min

Als uitgangspunt geldt dat betaalde rente aftrekbaar is van de winst. In een concern kan de renteaftrek echter een discussiepunt met de Belastingdienst vormen, omdat in de wet verschillende renteaftrekbeperkingen staan. Artikel 10a Wet Vpb 1969 beperkt de renteaftrek als de aangegane schuld verband houdt met bepaalde rechtshandelingen, zoals dividenduitkeringen, herstructureringen en acquisities. Deze renteaftrekbeperking is ooit ingevoerd om winstdrainage tegen te gaan, maar kent door zijn open (en vage) formuleringen een ruim toepassingsbereik. Verder bevat de regeling een uitgebreide tegenbewijsmogelijkheid voor de belastingplichtige, maar die gaat gepaard met complexiteit en is in de jurisprudentie nader ingevuld. In de praktijk zien wij dat de regeling leidt tot veel discussie en forse fiscale en financiële risico's, met name bij omvangrijke concernfinancieringen en in private-equitystructuren. In dit artikel wordt uiteengezet wanneer de renteaftrekbeperking van artikel 10a van toepassing is, hoe het vereiste causale verband wordt beoordeeld, welke tegenbewijsmogelijkheden er bestaan en hoe deze regeling de afgelopen jaren verder is ingevuld in de jurisprudentie.

Waarop richt artikel 10a Vpb zich?

Artikel 10a is ingevoerd met het oog op het tegengaan van de uitholling van de belastinggrondslag. Daarbij lag het oog met name op ‘winstdrainage’. Winstdrainage is het zorgen dat rente in een hoogbelastend gebied (zoals Nederland) in aftrek komt en in een laagbelastend gebied (of zelfs helemaal niet) belast is bij de ontvanger van de rente. De wetgever heeft bij de invoering van de renteaftrekbeperking van artikel 10a het volgende voorbeeld gebruikt:

Voorbeeld 10a (ontleend aan de parlementaire geschiedenis)

Een Nederlandse moedermaatschappij gaat Nederlandse concernactiviteiten financieren. Zou zij dat rechtstreeks doen met een geldlening aan de Nederlandse dochtervennootschap, dan is de betaalde rente aftrekbaar en de ontvangen rente belast in Nederland. De moedermaatschappij kiest voor een andere route. Zij richt een vennootschap op in een tax haven. Daarin stort zij kapitaal. Vervolgens leent deze vennootschap het geld door aan de Nederlandse dochtervennootschap. De rente is nog altijd aftrekbaar bij de dochtervennootschap in Nederland, maar de ontvangen rente is nu laag belast (in de tax haven).

Wanneer is de renteaftrekbeperking van artikel 10a van toepassing?

De renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969 is van toepassing als aan twee voorwaarden is voldaan:

  1. Er is sprake van een besmette rechtshandeling. Dat kan zijn een winstuitdeling of kapitaalterugbetaling, een kapitaalstorting, een interne verhanging of het uitbreiden van een belang waarna sprake is van een verbonden lichaam.
  2. De besmette rechtshandeling houdt (in)direct verband met een schuld die rechtens dan wel in feite is verschuldigd aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon.

Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan is artikel 10a van toepassing. De belastingplichtige heeft echter de mogelijkheid om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling of de compenserende heffingstoets. Deze mogelijkheden komen verderop in dit artikel aan bod.

Wanneer is een causaal verband sterk genoeg voor de toepassing van artikel 10a?

Er moet een verband zijn tussen de besmette rechtshandeling en de aangegane schuld. Is dat verband er niet, dan is artikel 10a niet van toepassing. De wetgever heeft nauwelijks aanwijzingen gegeven over hoe dit verband eruit moet zien. Ook zijn er in de rechtspraak weinig aanknopingspunten te vinden.

  • Het is niet vereist dat de schuld en de rechtshandeling op hetzelfde moment tot stand komen.
  • Volgens de wetgever is het wel zo dat naarmate er meer tijd zit tussen het aangaan van de schuld en het aangaan van de rechtshandeling, de sterkte van het causaal verband afneemt.
  • In onze praktijk zien wij weinig discussies over de vraag of het verband sterk genoeg is.
  • Het is verstandig dat de belastingplichtige vooraf beoordeelt of er voldoende samenhang is tussen de schuld en de rechtshandeling. Indicatoren voor samenhang zijn bijvoorbeeld interne schriftelijke stukken (zoals notules of een businessplan) en het tijdsverloop.
  • De omgekeerde situatie is naar onze mening net zo relevant. Als de belastingplichtige geen samenhang beoogt, maar een objectieve beschouwer zou die in het feitencomplex wel kunnen zien, dan is het verstandig om schriftelijk vast te leggen hoe en waarom van een dergelijk verband geen sprake is.

Waarom vormt artikel 10a een groot risico bij concernfinanciering?

Concernfinanciering komt in de praktijk vaak voor en heeft niet zelden tot doel om een andere vennootschap van de benodigde middelen te voorzien om een bepaalde handeling mogelijk te maken. Als dat een besmette rechtshandeling in de zin van artikel 10a Wet Vpb 1969 is, dan komt de renteaftrekbeperking op tafel. Dit is vaker aan de orde dan belastingplichtigen soms lijken te denken. Een goed voorbeeld is de moedervennootschap die geld uitleent aan een dochtervennootschap om een deelneming aan te kopen. Deze - eenvoudige - transactie valt al binnen de reikwijdte van artikel 10a.

Wat valt onder rente voor de toepassing van artikel 10a?

Niet alleen reguliere rentebetalingen vallen onder het rentebegrip van artikel 10a Wet Vpb 1969. De bepaling is breder. Het gaat om alle ‘renten, kosten en valutaresultaten’ van schulden. Als er sprake is van positieve en negatieve posten, dan worden deze gesaldeerd. Dat oordeelde de Hoge Raad in 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BQ1248).

  • Voorbeelden van kosten die zijn gemaakt voor schulden zijn juridische en bancaire kosten, maar ook om invorderingskosten en afsluitkosten.
  • Naast de valutawinsten- en verliezen vallen ook kosten die zijn gemaakt om valutarisico’s af te dekken onder de werking van artikel 10a.

Wat is een verbonden lichaam voor artikel 10a?

De wet onderscheidt vier situaties waarin sprake is van een verbonden lichaam:

  • De belastingplichtige heeft een belang van minstens 1/3 in een ander lichaam (dochtervennootschap).
  • Een ander lichaam heeft een belang van minstens 1/3 in de belastingplichtige (moedervennootschap).
  • Een derde heeft een belang van minstens 1/3 in de belastingplichtige en ook in een ander (zustervennootschappen). Let op! Een derde kan hier zowel een lichaam als een natuurlijk persoon zijn.
  • Een lichaam dat met de belastingplichtige is opgenomen in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
  • De samenwerkende groep (zie hierna).

Het gaat om het belang dat wordt gehouden. In het Besluit artikel 10a Wet Vpb 1969 (raadpleeg hier) is opgenomen dat het primair gaat om het financiële belang. Er is echter ruimte opengelaten om ook de zeggenschap mee te wegen. Hierdoor is er geen sprake van een exacte definitie van het begrip ‘belang’. Dit kan in de praktijk tot discussies leiden. In de tot op heden gewezen rechtspraak lijken rechters aansluiting te zoeken bij het financiële belang in de vorm van het gestorte kapitaal.

Wat is een samenwerkende groep voor artikel 10a?

Sinds 2017 behoort tot de verbonden lichamen ook de ‘samenwerkende groep’. De wetgever heeft deze uitbreiding ingevoerd om in situaties van gezamenlijke investeringen van elk afzonderlijk minder dan 1/3 toch tot verbondenheid te kunnen komen. Daarbij is gewezen op private equitystructuren. Volgens de wetgever is in dergelijke situaties vaak sprake van materiële verbondenheid tussen de overgenomen onderneming en de investeerders. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin verschillende subfondsen in feite één groot fonds vormen. Van een samenwerkende groep is dan sprake als er een gecoördineerde investering is gedaan. Bij de beoordeling of dat het geval is spelen verschillende factoren een rol.

  • Er is in elk geval sprake van een samenwerkende groep als de materiële zeggenschap over de vormgeving van de investering en het gezamenlijk belang in de overgenomen vennootschap berust bij een coördinerende (rechts)persoon. In PE-structuren is dat bijvoorbeeld de fondsbeheerder (general manager).
  • De wetgever heeft ter illustratie verder gewezen op structuren met een joint venture, stichting administratiekantoren en participaties door meer dan vier familieleden.
  • De bewijslast dat sprake is van een samenwerkende groep ligt bij de Belastingdienst.

Wie is een verbonden natuurlijk persoon voor artikel 10a?

Ook een geldverstrekking via een natuurlijk persoon kan binnen de reikwijdte van artikel 10a Wet Vpb 1969 vallen. Van een verbonden natuurlijk persoon is sprake als de natuurlijk persoon een belang van ten minste 1/3 houdt in:

  • De belastingplichtige zelf; of
  • Een met de belastingplichtige verbonden lichaam.

Welke tegenbewijsmogelijkheden zijn er bij artikel 10a?

De renteaftrekbeperking van artikel 10a kent twee tegenbewijsmogelijkheden voor de belastingplichtige:

  1. De ‘dubbele zakelijkheidstoets’. Als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de schuld en de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, dan is hij hierin geslaagd. De beoordeling moet plaatsvinden voor de rechtshandeling en de schuld afzonderlijk. Het feit dat de rechtshandeling (bijvoorbeeld een acquisitie) zakelijk is, betekent niet dat de financieringswijze dat ook is. Dit heeft de Hoge Raad onder andere geoordeeld in het Mauritius-arrest uit 2015 over de onzakelijke omleiding. Ook ‘parallelliteit’ speelt hierbij een rol.
  2. De ‘compenserende heffing’. Als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de rente daadwerkelijk belast is met een ‘redelijke heffing’ (ten minste 10%), dan is hij hierin geslaagd.

Bij een geslaagd beroep op een of beide van bovenstaande tegenbewijsmogelijkheden, heeft de Belastingdienst nog de mogelijkheid om hier tegenin te gaan. Het is dan aan hem om aannemelijk te maken dat:

  1. De schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of aanspraken in het jaar van het aangaan van de schuld of vlak daarna; of
  2. Aan de rechtshandeling of de schuld niet in overwegende mate zakelijke motieven ten grondslag liggen.

Wat is een onzakelijke omleiding voor de renteaftrekbeperking van artikel 10a?

In 2015 wees de Hoge Raad het Mauritius-arrest (lees hier ons artikel over die zaak en ECLI:NL:HR:2015:2167). In die zaak staat de ‘onzakelijke omleiding’ centraal. Als er sprake is van een onzakelijke omleiding van de geleende gelden, dan is renteaftrek niet mogelijk. Het zakelijke karakter van de rechtshandeling is daarbij niet relevant. In de Mauritius-zaak ging het om gelden die niet rechtstreeks aan de Nederlandse deelneming waren verstrekt, maar via een interne financieringsmaatschappij op Mauritius. Het feit dat de rechter een streep door deze financieringswijze zet, laat goed zien dat artikel 10a kan botsen met de vrijheid om zelf te bepalen hoe de concernfinanciering plaatsvindt. De Hoge Raad wijst ook op deze botsende regels en de inbreuk die artikel 10a op deze vrijheid kan maken. Wij leiden uit dit arrest af dat de Hoge Raad de keuzevrijheid van belastingplichtigen vooropstelt en meent dat artikel 10a beperkt moet worden uitgelegd. Deze zienswijze is echter gebaseerd op de tekst van dit arrest en of dit in de praktijk ook zo moet worden uitgelegd zal blijken.

Wat is parallelliteit bij de toepassing van artikel 10a?

Het komt voor dat de lening die de belastingplichtige aangaat bij een verbonden persoon, door die persoon is aangegaan bij een derde. Als de lening een-op-een wordt doorgezet, dan is er voor de toepassing van artikel 10a geen aanleiding en is in feite sprake van een externe lening. Er is dan sprake van ‘volledige’ parallelliteit tussen de beide leningen. De Hoge Raad heeft in 2017 een belangrijk arrest gewezen over parallelliteit (lees hier ons artikel over deze zaak en ECLI:NL:HR:2017:640). Bij de beoordeling of hiervan sprake is dient onder andere te worden gekeken naar de:

  • Looptijd.
  • Rentevergoeding.
  • Omvang van de lening.
  • Tijdstip van het aangaan van de lening.

Of er sprake is van parallelliteit is soms eenvoudig te beoordelen, maar in de praktijk kan het, zeker bij complexere concernstructuren, moeilijk zijn om het verband tussen leningen aannemelijk te maken. Een goede dossiervorming en een fiscale beoordeling vooraf zijn hierbij van belang.

Hoe werkt de parallelliteit-toetsing bij de renteaftrekbeperking van artikel 10a?

Bij volledige parallelliteit zal er geen discussie bestaan. Het komt echter voor dat de doorleenvoorwaarden afwijken van de inleenvoorwaarden. De vraag is of de beide leningen dan nog voldoende ‘vereenzelvigbaar’ zijn om van parallelliteit te kunnen spreken. Een voorbeeld hiervan is te vinden in een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland uit 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:10201). In deze zaak oordeelt de rechter dat van parallelliteit sprake is, ondanks dat er een beperkte opslag op de rentevergoeding is toegepast. Om tot dit oordeel te komen wijst de rechter erop dat hij niet elke voorwaarde afzonderlijk toetst, maar alle voorwaarden in samenhang beziet.

  • Wij leiden uit deze uitspraak af dat het mogelijk is om in beperkte mate andere voorwaarden voor het doorlenen overeen te komen dan voor het inlenen. Dit biedt de praktijk enige ruimte om de concernfinanciering naar eigen smaak vorm te geven.
  • Deze visie is echter gebaseerd op één uitspraak en het is ook duidelijk dat de parallelliteit niet verloren mag gaan. Er zal naar verwachting geen onbeperkte ruimte voor gunstig structureren zijn. In voorkomende (twijfel)gevallen kan vooroverleg met de Belastingdienst hier een geschikt middel zijn om zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van voldoende parallelliteit.

Is het van belang of de groepslening onder marktconforme voorwaarden is aangegaan?

De Hoge Raad heeft in 2026 (ECLI:NL:HR:2026:60 en ons artikel hierover) geoordeeld dat ook een lening bij een verbonden lichaam die onder volledig marktconforme (at arm's length) voorwaarden is aangegaan, onder artikel 10a Wet Vpb 1969 kan vallen. De rente is dan volledig in aftrek beperkt en komt niet - voor zover deze zakelijk zou zijn - voor aftrek in aanmerking. Met het arrest van de Hoge Raad is het niet langer mogelijk om een 10a-verdediging te bouwen op het argument dat sprake is van een lening onder marktconforme voorwaarden.

Hoe werkt de compenserende heffingstoets bij artikel 10a?

Als sprake is van een compenserende heffing, dan is artikel 10a niet van toepassing. Hiervan is sprake als in het betreffende jaar bij de geldverstrekker de rente is belast tegen een heffing van ten minste 10% van de naar Nederlandse maatstaven bepaalde winst. Omdat het van belang is dat de heffing ‘daadwerkelijk’ plaatsvindt, moet de belastingplichtige ook aannemelijk maken dat de geldverstrekker niet middels bijvoorbeeld verrekenbare verliezen de ten minste 10%-heffing kan vermijden. Wie een beroep wil doen op de compenserende heffing moet rekening houden met de volgende drie beoordelingen:

  1. Er moet een redelijke belastingheffing (ten minste 10%) van toepassing zijn.
  2. Er is geen verrekening van verliezen of andersoortige aanspraken uit eerdere jaren.
  3. Er is geen verrekening van verliezen of andersoortige aanspraken uit het jaar van het aangaan van de lening of kort daarna. 

Wat is de verhouding tussen artikel 10a en fraus legis?

Over de mogelijkheid om fraus legis (misbruik van recht) in te roepen bij de toepassing van de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969 is de afgelopen jaren veel gediscussieerd. In 2025 heeft de Hoge Raad in de Hans Anders-zaak hierover (meer) duidelijkheid gecreëerd (zie: ECLI:NL:HR:2025:1250 en lees hier ons artikel over die zaak). Hij schetst het volgende stappenplan:

  1. Beoordeel of artikel 10a van toepassing is.
  2. Daarna komt fraus legis met betrekking tot artikel 10a aan de orde. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verijdeling van de toepassing van een van de voorwaarden van dit artikel. In het 2025-arrest is gewezen op de verijdeling van de toepassing van het verbondenheidsvereiste.
  3. Tot slot komt fraus legis met betrekking tot de Wet Vpb 1969 aan de orde. Hiervoor verwijst de Hoge Raad ter illustratie naar een arrest uit 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1152 en ons artikel over die zaak) waarin hij aangaf dat gekunstelde rentelasten de heffing van winstbelasting voortdurend en willekeurig kan verijdelen.

Als de geldverstrekker een financiële spilfunctie vervult, dan is een beroep op fraus legis niet mogelijk.

Wat is een financiële spilfunctie voor artikel 10a?

De geldverstrekker kan een zogeheten financiële spilfunctie invullen. Een vennootschap heeft een financiële spilfunctie als hij binnen het concern het reële financieringsactiviteiten uitoefent (zie: ECLI:NL:HR:2023:330). Waar precies de ondergrens ligt voor het aannemen van de financiële spilfunctie is nog niet duidelijk. Dat is echter wel van belang, want volgens de Hoge Raad is het inroepen van fraus legis bij een financiële spilfunctie niet mogelijk.

  • Als de geldverstrekker een financiële spilfunctie vervult, dan is dit een sterke indicator voor de afwezigheid van een onzakelijke omleiding. Dat helpt bij het innemen van het standpunt dat voor wat betreft de schuld aan de zakelijkheidstoets is voldaan.
  • Een financiële spilfunctie vereist dat de geldverstrekker zich in de hoofdzaak bezighoudt met financiële transacties ten behoeve van de groep. Dat kan het in- en uitlenen van geld zijn, maar ook het beheren van (tijdelijk) overtollige middelen.
  • De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 dat een financiële spilfunctie in elk geval aanwezig moet zijn met betrekking tot de financiering die ter beoordeling voorligt. Het kan dus voorkomen dat een verbonden lichaam doorgaans een dergelijke spilfunctie heeft, doch met betrekking tot een specifieke financiering slechts fungeert als doorgeefluik (ECLI:NL:HR:2026:60 en ons artikel over die uitspraak).

De risico’s van de renteaftrekbeperking van artikel 10a Vpb

Artikel 10a Wet Vpb 1969 is ingevoerd om winstdrainage tegen te gaan. Het gaat in 10a-dossiers vaak om aanzienlijke rentebetalingen, bijvoorbeeld in (complexe) private-equitystructuren. Zo ging het in het Hunkemöller arrest uit 2021 onder andere om een lening van € 60.000.000 met een looptijd van 40 jaar en een rentepercentage van 13% (ECLI:NL:HR:2021:1152). In die zaak trok de Belastingdienst uiteindelijk aan het langste eind. Onder andere het volgende maakt de regeling voor de praktijk risicovol:

  • De wettekst van artikel 10a Wet Vpb 1969 is doorspekt met vage termen en open normen. Dit maakt het mogelijk om bepalingen op verschillende wijzen uit te leggen, hetgeen tot rechtsonzekerheid leidt. Dat het op veel punten niet om objectief verifieerbare zaken gaat, maar om motieven en intenties versterkt dit negatieve effect op de rechtszekerheid.
  • Als belastingplichtigen een rechtshandeling (bijvoorbeeld een acquisitie) plegen vlak na bijvoorbeeld een geldverstrekking door de moedervennootschap, dan is al sprake van een ‘rode vlag’, ondanks dat ook de mogelijkheid bestaat dat het een volledig losstaat van het ander.
  • Er wordt vaak over het hoofd gezien dat artikel 10a ook van toepassing is in zuivere interne situaties, bijvoorbeeld bij het verhangen van een deelneming binnen het eigen concern.
  • Sinds 1 januari 2025 is in artikel 29i Wet Vpb 1969 de GAAR (algemene antimisbruikmaatregel) opgenomen. Deze kan de Belastingdienst inroepen naast fraus legis. De wetgever heeft aangegeven dat op het moment van invoeren van de GAAR het toetsingskader gelijk is aan dat van fraus legis. De GAAR wordt echter beïnvloed door EU-rechterlijke uitspraken. Het toetsingskader kan in de toekomst dus gaan afwijken van dat van fraus legis. Dit kan de Belastingdienst nieuwe handvatten geven om bepaalde structuren te bestrijden.

Deze renteaftrekbeperking kan in veel situaties spelen. In de praktijk komen wij de volgende situaties regelmatig tegen:

  • De wettekst van artikel 10a Wet Vpb 1969 is doorspekt met vage termen en open normen. Dit maakt het mogelijk om bepalingen op verschillende wijzen uit te leggen, hetgeen tot rechtsonzekerheid leidt. Dat het op veel punten niet om objectief verifieerbare zaken gaat, maar om motieven en intenties versterkt dit negatieve effect op de rechtszekerheid.
  • Met groepsleningen gefinancierde dividenduitkeringen.
  • Kapitaalstortingen die (in)direct zijn gefinancierd met groepsleningen. 

Hoe verkleint u het 10a-risico?

Over de toepassing van de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969 vinden nog altijd veel discussies met de Belastingdienst plaats. Het voeren van vooroverleg over een voorgenomen (of opgezette) structuur is een van de mogelijkheden om zekerheid te krijgen. Verder is het van belang om in situaties waarin deze renteaftrekbeperking mogelijk van toepassing is op de juiste wijze fiscaal te beoordelen waar mogelijke knelpunten liggen. Dossiervorming is hierbij van groot belang. Het is verstandig om 10a-gerelateerde zaken goed vast te leggen. Dat gaat niet alleen om notulen en geldleningsovereenkomsten, maar bijvoorbeeld ook om beoordelingen van de compenserende heffing, de overwegingen voor bepaalde (verdachte) rechtshandelingen en een overzicht van de concernfinanciering. Bij het maken van een beoordeling kan het volgende stappenplan worden aangehouden:

  1. Bepaal of er sprake is van een schuld die binnen de reikwijdte van artikel 10a valt.
  2. Bepaal of er sprake is van een rechtshandeling die binnen de reikwijdte van artikel 10a valt.
  3. Beoordeel hoe sterk het causaal verband tussen de schuld en de rechtshandeling is.

Komt u dan tot de conclusie dat artikel 10a (mogelijk) van toepassing is, dan is het verstandig om te beoordelen wat de slagingskans is van een beroep op een (of beide) van de tegenbewijsmogelijkheden:

  1. Is voldaan aan de dubbele zakelijkheidstoets (de schuld en de rechtshandeling kennen overwegend zakelijke motieven)?
  2. Is er bij de geldverstrekker sprake van compenserende heffing?

De 10a-renteaftrekbeperking in de praktijk

Het toepassingsbereik van artikel 10a Wet Vpb 1969 raakt veel transacties. In onze praktijk zien wij regelmatig discussies met de Belastingdienst voorbijkomen over de toepassing van deze bepaling. Er zijn verschillende scenario’s en strategieën denkbaar. Per dossier verschilt het wat naar ons oordeel de beste aanpak is. Vaak gaat het om een keuze tussen:

  • Dit is de beste optie als de belastingplichtige bovenal streeft naar rechtszekerheid vooraf en bereid is alle kaarten op tafel te leggen. In het kader van verhoogde compliance of bij deelname aan horizontaal toezicht is dit de meest geschikte weg. Artikel 10a leent zich door de vele open normen en vage termen goed voor vooroverleg. Wij ontraden vooroverleg als soortgelijke casussen al bij een rechter voorliggen of als het feitencomplex op korte termijn vermoedelijk zal wijzigen. Vooroverleg vereist in elk geval een duidelijk en vaststaand feitencomplex en een goed opgebouwd dossier.
  • Het anders vormgeven van de bestaande financieringsstructuur. Dit is aan de orde als uit een fiscale beoordeling volgt dat er aan de huidige structuur te veel risico’s zijn verbonden. Ondanks de keuzevrijheid van de belastingplichtige bij concernfinanciering is het dan verstandig om voor een andere structurering te kiezen. Een fiscale beoordeling kan ook leiden tot de keuze om de bestaande structuur via vooroverleg alsnog ter beoordeling voor te leggen.
  • Accepteren of procederen. De meeste 10a-discussies zien wij ontstaan naar aanleiding van een (deel)controle door de Belastingdienst. Na het uitwisselen van alle standpunten en argumenten kan het dan zijn dat er nog steeds een verschil van mening is. Het is dan ‘accepteren of procederen’. In die situatie adviseren wij zo goed als mogelijk wat de slagingskansen van een procedure zijn, zodat de belastingplichtige op basis van de meest volledige informatie een goede keuze kan maken.

Twijfelt u over het van toepassing zijn van de renteaftrekbeperking van artikel 10a?

Zoals uit dit artikel volgt is de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969 een zeer complexe regeling. Er is in de loop van de jaren de nodige jurisprudentie gewezen, maar nog lang niet alle vragen zijn beantwoord. Dit is een van de redenen dat er nog steeds veel discussies met de Belastingdienst ontstaan over de toepasbaarheid van deze renteaftrekbeperking, inclusief discussies over de precieze bewijslastverdeling. Onjuistheden kunnen bij een controle leiden tot navorderingen (ook met terugwerkende kracht), boetes en belastingrente. Een voorafgaande fiscale beoordeling kan inzicht geven in de verdedigbaarheid van de geclaimde renteaftrek en uw bewijspositie bij een controle door de Belastingdienst. Als u dit wilt laten toetsen, dan kunt u hierover contact opnemen.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: