Passivering van een voorwaardelijke betalingsverplichting – Hoge Raad 2026
- Publicatiedatum 15 mrt 2026
- Aanpassingsdatum 15 mrt 2026
- Leestijd 7 min
Wanneer mag een voorwaardelijke betalingsverplichting fiscaal worden gepassiveerd? Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:397) kan dat bij opschortende voorwaarden pas nadat deze zijn vervuld. Op dat moment ontstaat de juridisch afdwingbare betalingsverplichting. Dit arrest biedt duidelijkheid voor belastingplichtigen die voorwaardelijke betalingsverplichtingen fiscaal willen verwerken.
Wat oordeelt de Hoge Raad over passivering bij opschortende voorwaarden in het kort?
De Hoge Raad oordeelt in deze zaak samengevat als volgt:
- Het fiscaal opnemen van een schuld kan pas als er een juridisch afdwingbare betalingsverplichting bestaat. Dit vereist vervulling van de eventuele opschortende voorwaarden.
- Het fiscaal opnemen van een voorziening kan alleen als er toekomstige aftrekbare uitgaven tegenover staan. Het opnemen van een voorziening kan daarom niet als de toekomstige uitgaven een informele kapitaalstorting vormen.
Fiscaal geschil over passivering voorwaardelijke betalingsverplichting
De belanghebbende in deze zaak is een Nederlandse moedermaatschappij. In 2015 wordt een overeenkomst aangegaan om een Amerikaans bedrijf over te nemen. Die overname wordt vormgegeven via een driehoeksfusie. De fusieovereenkomst bevat een aantal opschortende voorwaarden. Deze worden niet in 2015, maar halverwege 2016 vervuld. In de tussentijd loopt de belanghebbende in verband met de financiering van de overname een valutarisico. Dat leidt tot een ongerealiseerd valutaverlies. In de aangifte vennootschapsbelasting wil de belanghebbende een passiefpost opnemen.
- Het betreft een passiefpost naar aanleiding van de aangegane betalingsverplichting. Die is echter nog niet juridisch afdwingbaar, omdat op de balansdatum nog niet alle opschortende voorwaarden zijn vervuld.
- De belanghebbende wil het ongerealiseerde valutaresultaat aftrekken.
- Ook wil de belanghebbende de oprenting van de schuld in aftrek brengen.
Belanghebbende onderbouwt passivering van voorwaardelijke betalingsverplichting
De belanghebbende wil de voorwaardelijke betalingsverplichting als passiefpost opnemen (schuld of voorziening). Hij voert onder andere de volgende argumenten aan:
- De fusieovereenkomst leidt tot een afdwingbare betalingsverplichting.
- Die betalingsverplichting rechtvaardigt een passiefpost, ongeacht de aanwezigheid van nog niet vervulde opschortende voorwaarden op de balansdatum.
- De contante waarde van de verplichting wordt jaarlijks opgerent, die oprenting behoort tot het resultaat.
- Het ongerealiseerde valutaverlies behoort ook tot het resultaat.
De inspecteur heeft een andere zienswijze en wijst onder andere op:
- Het voorwaardelijke karakter van de betalingsverplichting op de balansdatum. Daardoor is een passiefpost niet mogelijk.
- De betaling van de koopsom is een informele kapitaalstorting in de dochtervennootschap die de aandelen verkrijgt. Daarom leiden de betaling en de kosten (zoals het valutaverlies en de oprenting) tot een wijziging van de kostprijs van de deelneming. Dat betekent dat aftrek niet mogelijk is.
Rechtbank en Hof verschillen over ontstaansmoment juridisch afdwingbare betalingsverplichting
De rechtbank (ECLI:NL:RBNHO:2022:10644) acht het opnemen van een schuld of voorziening niet mogelijk. Een schuld vereist een juridisch afdwingbare verplichting op de balansdatum. Een redelijke mate van zekerheid dat je moet betalen is bij een voorziening weliswaar relevant, maar bij een schuld niet. Tot aan het vervullen van de opschortende voorwaarde is sprake van een toekomstige schuld, die niet juridisch afdwingbaar is. Het Hof werkt met de aanname dat bij het aangaan van de overeenkomst wel sprake is van een betalingsverplichting (ECLI:NL:GHAMS:2023:2557). Daarvoor vindt hij steun in eerdere jurisprudentie waarin staat dat de ondernemer ook voor het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarden gebonden is. Nu de betalingsverplichting een nominaal bedrag betreft, heeft belanghebbende gelijk dat er een rentecomponent aanwezig is. Het bepalen van de contante waarde (en daarmee de aanwezigheid van een oprenting) is daarmee gegeven. Echter, zoals hierna is toegelicht oordelen rechtbank en Hof dat sprake is van informele (niet-aftrekbare) kapitaalstortingen.
Het vormen van een voorziening bij een informele kapitaalstorting volgens de feitenrechters
Een voorziening is bedoeld voor een juiste toerekening van kosten. Er moet dus een bedrag zijn dat uiteindelijk ten laste van de winst komt. Dat is volgens de rechtbank niet het geval, omdat de betaling niet ten laste van de winst zal komen. Die kwalificeert namelijk als een informele kapitaalstorting in de dochtervennootschap. De betaling komt dan bij de kostprijs voor de deelneming op en raakt de winst van de belanghebbende niet. Het Hof laat de mogelijkheid om een voorziening te vormen in het midden.
Waarom komen de kosten niet in aftrek bij een informele kapitaalstorting?
De rechtbank en het gerechtshof komen tot het oordeel dat er sprake is van een informele kapitaalstorting. Die heeft de belanghebbende als moedervennootschap in haar dochter (de deelneming) gedaan. De enige verklaring voor het op zich nemen van de lasten door de belanghebbende is namelijk de aandeelhoudersrelatie met de deelneming. Dat betekent dat de betalingen geactiveerd moeten worden als onderdeel van de kostprijs voor de deelneming in de dochter. Dergelijke bijboekingen op de kostprijs voor de deelneming zijn niet aftrekbaar en hebben dus geen invloed op de fiscale winst. Er is in feite sprake van een investering die de belanghebbende heeft gedaan in haar deelneming.
Cassatiemiddelen over passivering van de voorwaardelijke betalingsverplichting
De belanghebbende gaat in cassatie en brengt de volgende middelen (voor zover voor dit artikel relevant):
- De voorwaardelijke betalingsverplichting die uit de fusieovereenkomst voortvloeit mag worden gepassiveerd als schuld of voorziening.
- De jaarlijkse oprentingslast en het ongerealiseerde valutaresultaat bij de voorwaardelijke betalingsverplichting komen in aftrek.
Wanneer houd je fiscaal rekening met een betalingsverplichting onder opschortende voorwaarde?
Met een betalingsverplichting houd je fiscaal pas rekening als er een juridisch afdwingbare verplichting tot betaling bestaat. Hierover is de Hoge Raad duidelijk (ECLI:NL:HR:2026:397). Als er een opschortende voorwaarde in het spel is, dan is dat pas het geval als de verplichting onvoorwaardelijk is geworden. Daarvoor is vereist dat de opschortende voorwaarde is vervuld. Tot die tijd is passivering van de voorwaardelijke betalingsverplichting als schuld niet mogelijk.
Kan een voorziening worden gevormd voor een toekomstige informele kapitaalstorting?
Een voorwaardelijke betalingsverplichting kan niet leiden tot een voorziening als die betaling een informele kapitaalstorting is. Een voorziening is namelijk bedoeld om toekomstige aftrekbare uitgaven die in eerdere jaren worden opgeroepen, als kosten aan die eerdere jaren toe te rekenen. Een boeking van informeel kapitaal in een dochtervennootschap leidt niet tot aftrekbare uitgaven en daarom is het vormen van een voorziening niet mogelijk. Met dit oordeel schept de Hoge Raad duidelijkheid (ECLI:NL:HR:2026:397).
Wat is het belang van dit arrest over de passivering van betalingsverplichtingen voor de praktijk?
Dit arrest is op twee niveaus van belang. In de eerste plaats geeft de Hoge Raad duidelijke kaders over de passivering van een betalingsverplichting. Bij een schuld is een afdwingbare verplichting vereist. Daarvoor dienen in beginsel de opschortende voorwaarden te zijn vervuld. Voor het vormen van een voorziening zijn in de toekomst aftrekbare uitgaven van belang. Dat is niet het geval als er sprake is van een informele kapitaalstorting. Dat is het tweede niveau waarop de Hoge Raad duidelijk (reeds bekende) richting geeft. Als een moedermaatschappij kosten maakt ter bevoordeling van de dochtermaatschappij, dan zal doorgaans sprake zijn van een kapitaalstorting en niet van aftrekbare kosten. Dit komt omdat de aandeelhoudersrelatie dan meestal vooropstaat. Voor meer informatie over de deelnemingsvrijstelling verwijs ik naar ons artikel daarover.
Wat moeten belastingplichtigen doen bij voorwaardelijke betalingsverplichtingen?
Belastingplichtigen moeten beide niveaus toetsen. Daarbij zal de eerste vraag zijn of er al sprake is van een betalingsverplichting of nog niet. Daarna is van belang of het aftrekbare kosten betreft of een informele kapitaalstorting. Bij de laatste beoordeling is onder andere van belang – zoals aangegeven – wat de invloed van de aandeelhoudersrelatie is. Een goede fiscale beoordeling kan forse navorderingen voorkomen en is daarom van belang. Hebt u daar vragen over, neem dan contact op.
Bronnen:
- Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:397 (Betalingsverplichting onder opschortende voorwaarde kan fiscaal pas worden gepassiveerd na vervulling van de voorwaarde).
- Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:663 (Conclusie A-G over passivering toekomstige betalingsverplichting en informele kapitaalstorting).
- Gerechtshof Amsterdam 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2557 (Passivering toekomstige betalingsverplichting hier niet mogelijk).
- Rechtbank Noord-Holland 30 november 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:10644 (Voorwaardelijke betalingsverplichting kan niet als schuld of voorziening worden opgenomen. Informele kapitaalstorting).
Meer over dit thema:
- Wetswijziging lening en informeel kapitaal bij lucratief belang per 2024.
- Hoge Raad over een schenking bij het verstrekken en kwijtschelden van een onzakelijke lening.
- Renteaftrekbeperking artikel 10a Wet Vpb 1969: toepassing en tegenbewijs.
- Betalingstijdstip scholingsuitgaven: depotstorting of voldoen aan toekomstige verplichting – Hoge Raad 2026.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan