Stel een vraag
Parallelliteit bij artikel 10a Wet Vpb – Hoge Raad 2017
Herstructurering en overnameJurisprudentieVennootschapsbelasting kopieer en deel Naar kennisbank

Parallelliteit bij artikel 10a Wet Vpb – Hoge Raad 2017

  • Publicatiedatum 15 nov 2025
  • Aanpassingsdatum 16 jan 2026
  • Leestijd 5 min

Parallelliteit bij artikel 10a Wet Vpb kan aan de orde zijn wanneer een geldlening is aangegaan bij een verbonden lichaam, terwijl dat lichaam de middelen zelf extern heeft ingeleend. Er dient voor parallelliteit dan een voldoende sterk verband tussen beide leningen te bestaan. Als dat zo is, dan kan de schuld worden aangemerkt als in feite aangegaan bij een derde. Dit is van belang in het kader van de tegenbewijsmogelijkheid van artikel 10a Wet Vpb 1969 (lees hier meer over artikel 10a Wet Vpb 1969). De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:640). Hoewel dit arrest aanleiding is geweest voor een wetswijziging per 1 januari 2018, blijft de uitleg van het begrip parallelliteit relevant bij de beoordeling of aan de tegenbewijsregeling van artikel 10a wordt voldaan.

Opmerking vooraf over parallelliteit en wetswijziging in artikel 10a per 2018

De in dit artikel besproken zaak gaat over parallelliteit. Deze zaak is voor de wetgever aanleiding geweest om een wetswijziging aan te brengen. Die wetswijziging doet aan de relevantie van deze zaak en het begrip parallelliteit niet af. Sinds 1 januari 2018 is echter wel in de wet opgenomen dat de belastingplichtige de zakelijkheid van de schuld en de rechtshandeling aannemelijk moet maken, ongeacht of er sprake is van een schuld die in feite is verschuldigd aan een derde.

Het feitencomplex in de parallelliteit-zaak bij artikel 10a Wet Vpb 1969

In dit arrest staat de volgende situatie centraal. Het hoofdkantoor van een bankenconcern is gevestigd in Zwitserland. Een van de Zwitserse vennootschappen heeft een vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk (een London Branch). Deze London Branch is een van de belangrijkste entiteiten in het concern die vreemd vermogen aantrekt. Een Nederlandse kleindochter van de Zwitserse vennootschap verricht een overname. Deze overgenomen vennootschap leent een paar jaar later geld van de London Branch voor rechtshandelingen die binnen het bereik van artikel 10a Wet Vpb 1969 (winstdrainage) vallen. De London Branch leent het benodigde geld aan de overgenomen vennootschap en brengt de betaalde rente in aftrek. De gelden komen uiteindelijk als vreemd vermogen terecht bij een andere concernvennootschap in het Verenigd Koninkrijk. De Belastingdienst staat dat niet toe en stelt dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a van toepassing is.

Belastingplichtige beroept zich op uiteindelijk externe financiering (parallelliteit)

Een van de argumenten van de belastingplichtige is dat de lening uiteindelijk (door de London Branch) extern is gefinancierd. In die situatie is volgens de belastingplichtige sprake van zakelijke overwegingen die renteaftrek in beginsel toestaan. De verrichte rechtshandelingen vallen dan weliswaar binnen het bereik van de renteaftrekbeperking, maar aan de schuld en de rechtshandeling liggen voldoende zakelijke overwegingen ten grondslag. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van parallelliteit en de renteaftrekbeperking van artikel 10a vindt dan geen toepassing, aldus de belastingplichtige. De inspecteur stelt echter ter discussie of wel is voldaan aan deze tegenbewijsmogelijkheid.

Wanneer is sprake van parallelliteit bij artikel 10a?

Van parallelliteit tussen de geldlening en de externe financiering is sprake in situaties waarin een lening verstrekt door een verbonden lichaam door dat lichaam is aangegaan bij een derde. Vereist is een direct verband tussen de beide leningen. Hierbij zijn met name de looptijd en de aflossingen van belang. Verschillende in rentevergoedingen kunnen worden verantwoord, mits daarvoor zakelijke redenen zijn. Dit baseert het gerechtshof (ECLI:NL:GHAMS:2016:2218) op een aantal passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de tegenbewijsmogelijkheid bij de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969. Als er geen parallelliteit is, dan is dat een indicator voor de afwezigheid van het directe verband tussen de beide leningen. De bewijslast rust op de belastingplichtige en geldt van jaar tot jaar. Een niet-besmette lening kan door het aflossen van de externe financiering, maar het aanhouden van de interne financiering, van kleur verschieten.

Wanneer is er voldoende parallelliteit voor de tegenbewijsregeling van artikel 10a?

De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever niet heeft beoogd de renteaftrek te beperken als een schuld in feite is aangegaan bij een derde. Maakt de belastingplichtige aannemelijk dat dit het geval is, dan heeft hij voldaan aan de tegenbewijsregeling van artikel 10a. Bij het beoordelen van de aanwezigheid van parallelliteit moet in elk geval worden gekeken naar een algehele beoordeling van de looptijd, het aflossingsschema, de rentevergoeding, de omvang en het tijdstip van het aangaan van de leningen. Met dit oordeel ging de Hoge Raad in tegen zijn advocaat-generaal. Die meende dat de (on)zakelijkheid van de rechtshandeling niet reeds irrelevant is als er parallellie aanwezig is.

Waarom bleef het oordeel van het gerechtshof over parallelliteit intact?

De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof tot zijn oordeel kon komen en vernietigt het oordeel niet. Het gerechtshof heeft op de juiste wijze de aanwezigheid van parallelliteit getoetst. Dat betekent dat het oordeel overeind blijft dat er parallellie bestaat tussen de interne lening van de London Branch aan de belanghebbende en de externe lening die de London Branch heeft aangetrokken om de interne lening te financieren. Hierdoor komt niet alleen de rente uiteindelijk wel voor aftrek in aanmerking, maar vindt ook vernietiging van de opgelegde vergrijpboeten plaats.

Wat is de betekenis van dit arrest over parallelliteit en artikel 10a?

Dit arrest is ook wel bekend komen te staan als het ‘parallelliteit-arrest’. Het arrest maakt duidelijk dat als een lening in feite is aangegaan bij een derde (externe partij) een geslaagd beroep op de tegenbewijsregeling mogelijk is. Dit gevolg is door de wetgever echter per 1 januari 2018 een halt toegeroepen. Sindsdien moet de belastingplichtige ook de zakelijkheid van de rechtshandeling aannemelijk maken (dubbele zakelijkheidstoets) als de lening in feite is aangegaan bij een derde. Dat doet aan het belang van dit arrest voor de beoordeling of er sprake is van een zakelijke schuld echter niet af. Hebt u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: