Stel een vraag
Fraus legis bij renteaftrek ook mogelijk buiten artikel 10a: Hoge Raad 2025 (Hans Anders-zaak)
Herstructurering en overnameJurisprudentieVennootschapsbelasting kopieer en deel Naar kennisbank

Fraus legis bij renteaftrek ook mogelijk buiten artikel 10a: Hoge Raad 2025 (Hans Anders-zaak)

  • Publicatiedatum 16 jan 2026
  • Aanpassingsdatum 16 jan 2026
  • Leestijd 11 min

De vraag of en wanneer een beroep op fraus legis (wetsontduiking) mogelijk is als een renteaftrekstructuur niet binnen de reikwijdte van artikel 10a Wet Vpb 1969 valt is al jaren actueel. In een arrest van 5 september 2025 over de overname van Hans Anders heeft de Hoge Raad de relevante toetsingskaders nader uitgewerkt (ECLI:NL:HR:2025:1250). Hij geeft aan dat een beroep op fraus legis mogelijk is, maar dat eerst toetsing aan artikel 10a zelf aan de orde is. Dit artikel behandelt deze zaak en gaat in op de toepassing van fraus legis bij renteaftrekstructuren en de positie van artikel 10a Wet Vpb 1969 (lees hier meer over de renteaftrekbeperking van artikel 10a). Dit arrest is met name relevant bij structuren die formeel niet binnen de reikwijdte van artikel 10a vallen, maar die de Belastingdienst voor wat betreft de renteaftrek toch wil bestrijden.

Wat is de kern van dit arrest?

In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat een beroep op fraus legis mogelijk is als artikel 10a Wet Vpb 1969 niet van toepassing is. In deze zaak was van verbondenheid geen sprake. Daarom viel de structuur niet binnen de reikwijdte van artikel 10a. Toch bestrijdt de Belastingdienst de renteaftrek met succes. Het beroep op fraus legis slaagt namelijk.

Overname Hans Anders via complexe overnamestructuur

De belastingplichtige in deze zaak is onderdeel van een private equity overnamestructuur. Zij is samen met een dochter- en een kleindochtervennootschap opgericht voor een overname. De koopsom bedraagt in totaal € 215 miljoen. Daarvan wordt € 57 miljoen gefinancierd middels aandeelhoudersleningen die zijn verstrekt aan de belastingplichtige door een groepsmaatschappij (een Luxemburgse vennootschap). Om de benodigde middelen te verkrijgen heeft die groepsmaatschappij zogeheten PEC’s uitgegeven aan subfondsen. Geen van deze subfondsen heeft een belang van 1/3 of meer in de structuur. Daardoor kwalificeren zij niet als verbonden lichamen. Na de overname is een fiscale eenheid gevormd tussen de belastingplichtige en de overgenomen vennootschappen. De belastingplichtige brengt de op de aandeelhoudersleningen verschuldigde en bijgeschreven rente in aftrek op de winst van de fiscale eenheid. Hieronder is een weergave opgenomen van de relevante structuur bij dit arrest.

Afbeelding van de structuur (afkomstig uit de conclusie van de A-G)

Overnamestructuur Hans Anders met aandeelhoudersleningen en financiering via PEC’s, beoordeeld door de Hoge Raad bij renteaftrek en fraus legis (art. 10a Wet Vpb 1969).

Figuur: de overnamestructuur in de Hans Anders-zaak (bron: Conclusie A-G). In deze structuur zijn aandeelhoudersleningen via een tussengeschakelde groepsmaatschappij verstrekt. Deze structuur stond centraal bij de beoordeling van renteaftrek en de toepassing van fraus legis buiten artikel 10a Wet Vpb 1969.

Op welke gronden opteert de belastingplichtige voor renteaftrek?

De belastingplichtige heeft de rente volledig in aftrek gebracht op de volgende gronden:

  • Er is geen sprake van verbondenheid tussen de financierende investeerders en de belastingplichtige. Daarom is artikel 10a Wet Vpb 1969 niet van toepassing.
  • De financiering die is aangegaan is zakelijk.
  • De financiering is gebruikt voor een externe acquisitie.
  • Er is geen sprake van fraus legis, mede gezien het spilfunctie-arrest.

De Belastingdienst heeft een andere zienswijze. Hij wijst erop dat:

  • Er sprake is van een onzakelijke lening.
  • Er weliswaar geen sprake is van verbondenheid in de zin van artikel 10a Wet Vpb 1969, maar dat de renteaftrek in strijd komt met doel en strekking van de Wet Vpb als geheel. Dat maakt dat sprake is van fraus legis.
  • De opgezette structuur is gekunsteld en heeft als hoofddoel belastingontwijking.

Let op! De samenwerkende groep sinds 2017

Deze zaak gaat over het tijdvak 2011-2012. Het oordeel dat geen sprake is van een verbonden lichaam had anders kunnen uitvallen als deze zaak had gespeeld in het tijdvak 2017 of later. Sinds 1 januari 2017 is het begrip ‘verbonden lichaam’ namelijk uitgebreid met de ‘samenwerkende groep’. Sindsdien kunnen meerdere kleine fondsen onder voorwaarden als één gezamenlijke investeerder worden aangemerkt (lees hier ons artikel over de renteaftrekbeperking van artikel 10a waarin de samenwerkende groep aan de orde komt).

Hoe ziet de relevante voorgeschiedenis van deze zaak eruit?

Deze zaak kent een lange voorgeschiedenis. De Hoge Raad heeft zich in deze zaak eerder uitgesproken. In dat arrest wees de Hoge Raad er (in het kort) op dat het hof ten onrechte artikel 10a Wet Vpb 1969 van toepassing achtte, omdat van verbondenheid geen sprake was. Doordat het hof dit artikel toepaste, kwam het niet toe aan het beoordelen of sprake is van een onzakelijke lening of van fraus legis. Met de opdracht om dit alsnog te doen heeft de Hoge Raad de zaak toen verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.

Hoe oordeelde het gerechtshof Amsterdam over de lening en fraus legis?

Het gerechtshof Amsterdam moest twee vragen beantwoorden (ECLI:NL:GHAMS:2023:1305). Ten eerste of er sprake was van een onzakelijke aandeelhouderslening. Ten tweede of er sprake was van fraus legis. Als vaststaand feit geldt dat artikel 10a Wet Vpb 1969 niet van toepassing is. Over de onzakelijke lening oordeelt het hof:

  • De aandeelhouderslening is gedeeltelijk onzakelijk. De dekkingsgraad is namelijk ontoereikend, er zijn onvoldoende zekerheden gesteld en een onafhankelijke derde zou deze lening niet hebben verstrekt. Een deel van de rente is daarom niet aftrekbaar.

Vervolgens oordeelt het hof dat de volledige rente (inclusief het zakelijke deel) niet aftrekbaar is. Er is namelijk sprake van fraus legis (wetsontduiking). In feite fungeert fraus legis daarmee als een aanvullend vangnet dat aan de renteaftrek in de weg staat. Het hof baseert de toepassing van fraus legis op het volgende:

  • Er is kunstmatig een rentelast gecreëerd die ten laste komt van de Nederlandse belastinggrondslag (winstdrainage).
  • De structuur is kunstmatig. Er is eigen vermogen omgezet in vreemd vermogen zonder dat daarvoor een economische aanleiding bestond.
  • Het belastingvoordeel dat de belastingplichtige daardoor geniet is in strijd met doel en strekking van de Wet Vpb als geheel.

Welke middelen voert de belastingplichtige aan tegen het oordeel van het gerechtshof?

De belastingplichtige stapt voor de tweede keer naar de Hoge Raad. Hij brengt de volgende aspecten onder de aandacht:

  • Het gerechtshof zou de bewijslast voor de onzakelijkheid van de lening verkeerd hebben verdeeld. De belastingplichtige moest de zakelijkheid aannemelijk maken, terwijl volgens de belastingplichtige de inspecteur juist de onzakelijkheid moet bewijzen. Verder geldt dat er onvoldoende tegenbewijs is geleverd door de inspecteur.
  • Het spilfunctie-arrest zou door het hof verkeerd zijn toegepast. Volgens de belastingplichtige volgt uit dit arrest dat als artikel 10a Wet Vpb 1969 niet van toepassing is, er van fraus legis geen sprake kan zijn.

Wat houdt het spilfunctie-arrest in?

De Hoge Raad wees in 2023 het spilfunctiearrest. Daarin heeft hij bepaald dat als de geldverstrekker een financiële spilfunctie vervult, aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Er is dan geen sprake van een ‘omgeleide’ financiering. Om te kunnen spreken van een financiële spilfunctie moet de geldverstrekker binnen het concern een actieve financieringsfunctie vervullen. Het fungeren als doorgeefluik is derhalve onvoldoende.

Hoe oordeelt de Hoge Raad over de bewijslastverdeling voor de (on)zakelijke lening?

Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof de bewijslast op de juiste wijze verdeeld. Verder geldt dat het hof een eigen vrijheid heeft bij de keuze voor en de waardering van de aangeleverde bewijsmiddelen. Het oordeel dat sprake is van een gedeeltelijk onzakelijke lening is niet onbegrijpelijk. Dit middel van de belastingplichtige slaagt dus niet.

Wanneer vindt toetsing aan fraus legis plaats bij het bestrijden van renteaftrek?

De Hoge Raad gaat nader in op de toepassing van fraus legis in dit type dossier. Daarbij geldt dat artikel 10a geen uitputtende regeling geeft voor het weigeren van renteaftrek. Er kan sprake zijn van fraus legis, ook als artikel 10a niet van toepassing is. Dit leidt tot het volgende stappenplan:

  1. De toepassing van de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969. In deze zaak stond al vast dat dit artikel niet van toepassing was, omdat geen sprake was van verbondenheid.
  2. De beoordeling of de belastingplichtige de toepassing van artikel 10a bewust heeft verijdeld, bijvoorbeeld door het vermijden van verbondenheid.
  3. Tot slot - en als vangnet - dient te worden beoordeeld of er sprake is van misbruik in strijd met doel en strekking van de Wet Vpb 1969 als geheel (fraus legis).

Hoe kijkt de Hoge Raad aan tegen de 10a-toetsing?

Bij de renteaftrekbeperking van artikel 10a staan twee elementen centraal:

  • De bij een verbonden lichaam aangegane lening.
  • De daarmee verrichte besmette rechtshandelingen.

Is geen sprake van verbondenheid of geen sprake van een besmette rechtshandeling, dan is artikel 10a niet van toepassing. Bij het beoordelen van deze elementen zijn relevant:

  • De vennootschappelijke structuur van het concern.
  • De vennootschappelijke verhouding tussen de belastingplichtige en de eventuele andere geldverstrekkers.
  • De wijze waarop de middelen zijn verstrekt.
  • Of en in hoeverre die middelen zijn gebruikt voor een besmette rechtshandeling.

Als de vennootschappelijke structuur binnen de kaders van artikel 10a past, dan is relevant of de middelen zijn omgeleid. Is dat niet het geval, dan liggen aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag. In dit dossier was echter geen sprake van verbondenheid en derhalve was artikel 10a niet van toepassing.

Wanneer is sprake van fraus legis met artikel 10a Wet Vpb 1969?

Het is mogelijk dat een belastingplichtige een structuur zo neerzet dat deze de werking van artikel 10a Wet Vpb 1969 verijdeld. De Hoge Raad wijst ter illustratie op de verijdeling van het verbondenheidscriterium. In deze zaak zou het dan gaan om – maar dat is niet getoetst – verijdeling door te werken met investeerders die elk afzonderlijk een belang van minder dan 1/3 houden, zodat van een verbonden lichaam geen sprake is.

Hoe vindt de toetsing van fraus legis aan de Wet Vpb 1969 plaats?

Ondanks dat artikel 10a niet van toepassing is, kan de Belastingdienst de renteaftrek bestrijden met een beroep op fraus legis met de Wet Vpb 1969 als geheel. Hiervan is in elk geval sprake als er een structuur is neergezet waarin:

  • De winst van de onderneming en gekunstelde rentelasten bij elkaar zijn gebracht (winstdrainage); met als gevolg dat
  • De willekeurige en voortdurende verijdeling van de heffing van vennootschapsbelasting; met behulp van
  • Voor het bereiken van op zichzelf bezien zakelijke doeleinden niet noodzakelijke rechtshandelingen die enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende fiscale motief.

Kortom: als de winst structureel wordt gedrukt met gekunstelde rentelasten, dan kan sprake zijn van fraus legis met de Wet Vpb 1969 als geheel.

Is fraus legis mogelijk als artikel 10a niet van toepassing is?

Toepassing van fraus legis is mogelijk, ook als artikel 10a Wet Vpb 1969 niet van toepassing is. De belastingplichtige meende dat uit het spilfunctie-arrest volgt dat een beroep op fraus legis niet mogelijk is, omdat het hof oordeelde dat aan de leningen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen. Volgens de Hoge Raad is die zienswijze onjuist. Slechts als de geldverstrekker een financiële spilfunctie vervult ontbreekt de grondslag voor fraus legis. In andere gevallen is een dergelijk beroep wel mogelijk. In deze zaak fungeerde de geldverstrekker in feite als een doorgeefluik. Dat is geen financiële spilfunctie en dus was een beroep op fraus legis mogelijk.

Hoe pakt fraus legis in de Hans Anders zaak uit?

Een geslaagd beroep op fraus legis is mogelijk als aan twee voorwaarden is voldaan:

  • Subjectief element: het doorslaggevende motief is het behalen van een belastingvoordeel.
  • Objectief element: het behaalde belastingvoordeel is in strijd met doel en strekking van de wet.

Bij het subjectieve element is getoetst of de gekozen structuur noodzakelijk was voor de beoogde doelen of dat de gekozen vorm vooral is ingegeven met het oog op de renteaftrek (belastingvoordeel). Volgens het hof was dit laatste het geval, onder andere omdat de benodigde middelen reeds als eigen vermogen beschikbaar waren. De Hoge Raad laat dit oordeel intact. Bij het objectieve element is beoordeeld of het resultaat van de handelingen leidt tot een uitkomst die strijdig is met doel en strekking van de Wet Vpb 1969. Zoals in dit artikel beschreven is dat hier het geval.

Praktische betekenis voor concernfinancieringen

Dit arrest onderstreept dat ook bij structuren die formeel buiten de reikwijdte van artikel 10a vallen, de Belastingdienst de renteaftrek kan bestrijden via fraus legis. Dat zal zich met name voordoen bij winstdrainage en gekunstelde concernfinancieringen. Voor bestaande of voorgenomen structuren is het daarom van belang te beoordelen of de gekozen opzet ook standhoudt bij toetsing aan doel en strekking van de Wet Vpb 1969. Hoe die toetsing werkt heeft de Hoge Raad in dit arrest uitgewerkt. Hebt u vragen over de fiscale risico's van een specifieke financieringsstructuur, neem dan contact op.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: