Stel een vraag
Bewijsvermoeden driejaarstermijn bij splitsingsfaciliteit in strijd met Fusierichtlijn – Hoge Raad 2026
Herstructurering en overnameJurisprudentieVennootschapsbelasting kopieer en deel Naar kennisbank

Bewijsvermoeden driejaarstermijn bij splitsingsfaciliteit in strijd met Fusierichtlijn – Hoge Raad 2026

  • Publicatiedatum 02 mrt 2026
  • Aanpassingsdatum 02 mrt 2026
  • Leestijd 9 min

Houdt het bewijsvermoeden van de driejaarstermijn bij de splitsingsfaciliteit (art. 14a Wet Vpb 1969) stand onder de Fusierichtlijn? De Hoge Raad oordeelde op 27 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:298) dat dat niet het geval is voor zover sprake is van een algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking. De inspecteur dient eerst een begin van bewijs te leveren dat er onvoldoende zakelijke overwegingen zijn of dat het hoofddoel (of een van de hoofddoelen) het ontgaan of uitstellen van belastingheffing is. Voor zover de driejaarstermijn daaraan voorbijgaat, dient deze buiten toepassing te blijven. Dit arrest heeft directe gevolgen voor de bewijslastverdeling in lopende en toekomstige herstructureringsdossiers waarin de driejaarstermijn een rol speelt.

In het kort: bewijsvermoeden in de vorm van driejaarstermijn is in strijd met de Fusierichtlijn

In dit arrest oordeelt de Hoge Raad samengevat het volgende:

  • Bij de toepassing van de antimisbruikbepaling (gebaseerd) op de Fusierichtlijn mag geen algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking worden gehanteerd. Daarvan is in elk geval als de Belastingdienst nog geen begin van bewijs hoeft te leveren en de faciliteit alleen wordt toegekend als de belanghebbende bewijst dat er voldoende zakelijke overwegingen zijn en het doel niet belastingfraude of belastingontwijking is.
  • De driejaarstermijn die het bewijsvermoeden van onvoldoende zakelijke overwegingen activeert bij de splitsingsfaciliteit is een voorbeeld van een ontoelaatbaar algemeen vermoeden.
  • Voor zover de Nederlandse implementatie van de Fusierichtlijn dit bewijsvermoeden hanteert, dient de regeling buiten toepassing te blijven.

Belanghebbende splitst onderneming af en verkoopt de aandelen een dag later

Deze zaak gaat over de verkoop van een onderneming daags na een afsplitsing. Vanuit een bestaande vennootschap zijn de ondernemingsactiviteiten afgesplitst naar een nieuwe vennootschap. Een dag na de afsplitsing zijn de aandelen in deze nieuwe vennootschap verkocht aan een derde. De belanghebbende wil in het kader van de splitsing gebruikmaken van de splitsingsfaciliteit. Die faciliteit leidt ertoe dat de belastingclaim doorschuift. Het toepassen van de faciliteit vereist zakelijke overwegingen. Die zijn volgens de belanghebbende aanwezig. De inspecteur wijst het verzoek om toepassing van de splitsingsfaciliteit echter af en wijst op het ‘tweede bewijsvermoeden’. Op het tweede (en eerste) bewijsvermoeden ga ik hierna kort in.

De bewijslastverdeling onder artikel 14a Wet Vpb 1969 (splitsingsfaciliteit)

De splitsingsfaciliteit is alleen van toepassing als de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Hierbij gelden twee bewijsvermoedens.

  1. De splitsing wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Zakelijke overwegingen zijn bijvoorbeeld een herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden.
  2. De splitsing wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als de aandelen in de gesplitste of verkrijgende rechtspersoon (gedeeltelijk) binnen drie jaar worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam.

Met betrekking tot beide bewijsvermoedens geldt dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om het tegendeel aannemelijk te maken. Het betreft dus een weerlegbaar bewijsvermoeden. Hierbij merk ik op dat de andere faciliteiten in de Wet Vpb 1969, zoals die voor de bedrijfsfusie, eenzelfde inhoud kennen voor wat betreft de bewijsvermoedens. In deze zaak staat het tweede bewijsvermoeden centraal.

Gerechtshof oordeelt dat belanghebbende het tweede bewijsvermoeden niet weerlegt

Het gerechtshof (ECLI:NL:GHARL:2022:8228) toetst aan het tweede bewijsvermoeden, omdat de aandelen binnen drie jaar zijn vervreemd. Het Hof werkt dus vanuit de veronderstelling dat er geen zakelijke overwegingen zijn, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Dat is volgens het gerechtshof niet het geval.

  • De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voordelen van de splitsing en verkoop ten opzichte van een activa-/passivatransactie zich voordoen.
  • Niet aannemelijk is dat die gestelde voordelen echt een rol hebben gespeeld in het besluitvormingsproces.
  • Als er al sprake is van een voordeel, dan is niet aannemelijk gemaakt dat dit voordeel meer dan volstrekt marginaal is. Dit vereist een vergelijking tussen de situatie die zich heeft voorgedaan en de andere mogelijke routes die tot hetzelfde einddoel hadden geleid. De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:498) beargumenteerd dat het in deze zaak gaat om (i) een activa-/passivatransactie en (ii) een afsplitsing gevolgd door een aandelenverkoop.

Het bovenstaande is voor het gerechtshof voldoende om te oordelen dat het tweede vermoeden (de vervreemding binnen drie jaar) standhoudt.

Hof merkt toegepaste splitsing aan als kunstmatig en ziet anti-fiscaal motief

De belanghebbende krijgt dan nog de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat de splitsing niet als hoofddoel belastingontwijking heeft. Volgens het Hof is dit de belanghebbende niet gelukt. De vormgeving van de splitsing is kunstmatig en enkel ingegeven door fiscale overwegingen. Die overwegingen zijn gelegen in het uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting. Dit maakt dat er een volstrekt overheersend anti-fiscaal motief aanwezig is. Dat is voldoende om te komen tot afwijzing van het verzoek van de belanghebbende om toepassing van de splitsingsfaciliteit.

Wat voert de belanghebbende in cassatie aan tegen het bewijsvermoeden van de driejaarstermijn?

De belanghebbende gaat in cassatie. Hij voert verschillende middelen aan. In dit artikel staat de driejaarstermijn van het tweede bewijsvermoeden centraal. Volgens de belanghebbende is dit bewijsvermoeden niet in overeenstemming met de Fusierichtlijn.

  • De onverenigbaarheid zit er volgens de belanghebbende in dat de bewijslast voor het bestaan van zakelijke overwegingen voor de splitsing bij hem wordt gelegd.

In de kern voert de belanghebbende aan dat de verkoop van aandelen binnen een bepaalde periode geen objectieve aanwijzing voor misbruik vormt. Daarvoor is meer vereist. Uit de Fusierichtlijn en de jurisprudentie daarvoor volgt volgens de belanghebbende dat de inspecteur de initiële bewijslast heeft en dat hij daarna tegenbewijs moet kunnen leveren.

Hoe heeft de wetgever de bewijsvermoedens in de Wet Vpb 1969 bedoeld te implementeren?

In de parlementaire geschiedenis is duidelijk te lezen dat bedoeld is om met de bepaling aan te sluiten bij de misbruikbepaling van de Fusierichtlijn. De wetgever heeft geen onderscheid willen maken tussen verschillende herstructureringsvormen (zoals de fusie en de splitsing). Ook heeft hij geen onderscheid willen maken tussen zuiver nationale en grensoverschrijdende situaties. Dit betekent dat bij de uitleg van de bepalingen die in deze zaak aan de orde zijn, moet worden gekeken naar de Fusierichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak over de bewijslastverdeling.

Wanneer zijn bewijsvermoedens toelaatbaar onder het Unierecht?

Uit de jurisprudentie van het HvJ EU leidt de Hoge Raad af dat een vermoeden van belastingfraude of -ontwijking alleen mag worden gehanteerd als de transacties ertoe strekken een belastingvoordeel te behalen en niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Als er verschillende doelstellingen – waaronder fiscale – zijn, dan is sprake van zakelijke overwegingen, mits de fiscale doelen niet doorslaggevend zijn. Ook volgt uit deze jurisprudentie dat er geen algemeen vermoeden mag worden gehanteerd. Het toepassen van vooraf vastgestelde criteria is onvoldoende, want er is steeds een beoordeling van de gehele transactie vereist. Van een algemeen vermoeden is ook sprake als de regeling zo is dat de belanghebbende moet aantonen dat er zakelijke overwegingen zijn, zonder dat de belastingdienst een begin van bewijs hoeft te leveren.

Waarom is de driejaarstermijn in strijd met de Fusierichtlijn?

De Nederlandse bepaling houdt in dat als de aandelen binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd aan een derde, het vermoeden intreedt dat er onvoldoende zakelijke overwegingen zijn. Deze bepaling wordt toegepast zonder dat de inspecteur een begin van bewijs hoeft te leveren dat er daadwerkelijk geen zakelijke overwegingen zijn. Ook hoeft de inspecteur niets te stellen over de aanwijzingen voor het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De Hoge Raad merkt op dat het enkele feit dat binnen drie jaar een vervreemding van aandelen plaatsvindt, niet betekent dat er geen zakelijke overwegingen zijn of dat het hoofddoel het ontgaan of uitstellen van belastingheffing is. Dat geldt zelfs als de verkoopplannen al bestonden toen het splitsingsbesluit werd genomen. Nu de inspecteur nog geen begin van bewijs hoeft te leveren, is de Nederlandse bepaling op dat onderdeel niet verenigbaar met de Fusierichtlijn. Richtlijnconforme interpretatie van de bepaling leidt er dan toe dat op dat onderdeel de bepaling buiten toepassing blijft.

  • Het algemene vermoeden van het ontbreken van zakelijke overwegingen voor de splitsing wegens een vervreemding binnen drie jaar is in strijd met de Fusierichtlijn.
  • Het is aan de inspecteur om met een begin van bewijs te komen. Daarna is de belanghebbende aan zet.

Gerechtshof heeft de bewijslast onjuist verdeeld

Dit oordeel van de Hoge Raad betekent dat het gerechtshof de bewijslast verkeerd heeft verdeeld. De inspecteur mocht immers niet volstaan met het enkele betwisten van de door de belanghebbende aangevoerde argumenten. Hij had ten minste een begin van bewijs moeten leveren dat:

  • Er geen sprake is van zakelijke overwegingen; en/of
  • Er aanwijzingen zijn voor het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

Bewijs voor het bovenstaande kan de inspecteur leveren door te komen met concrete aanwijzingen en/of objectief verifieerbare feiten en omstandigheden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof. Verwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch volgt.

Hoe zit het met de driejaarstermijn bij andere herstructureringsfaciliteiten?

Naar mijn mening heeft dit arrest uitstralingseffecten naar de andere herstructureringsfaciliteiten die zijn ontleend aan de Fusierichtlijn. Ook deze faciliteiten kennen een driejaarstermijn en ook bij die faciliteiten is deze gebaseerd op de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn. Ik meen daarom dat het aannemelijk is dat dit oordeel van de Hoge Raad naar deze faciliteiten doorwerkt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bedrijfsfusie en de juridische fusie. Ook moet de wetgever met dit arrest aan de slag en de wettekst in lijn met de Fusierichtlijn brengen.

Verwijzingsopdracht in zaak over driejaarstermijn en bewijsvermoeden bij splitsing

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zal zich nu over de zaak moeten buigen. In het kader van de verwijzingsopdracht heeft de Hoge Raad nog enkele opmerkingen meegegeven:

  • Het Hof heeft terecht geoordeeld dat voor de aanwezigheid van zakelijke overwegingen moet worden gekeken naar het einddoel als de gekozen weg naar dat einddoel toe. Beide moeten worden onderbouwd door zakelijke overwegingen.
  • Bij de beoordeling of er sprake is van zakelijke overwegingen kunnen ook aandeelhoudersmotieven een rol spelen. Een voorbeeld hiervan is de wens om de af te splitsen activiteiten te verkopen.

Wat betekent dit arrest over het bewijsvermoeden en de driejaarstermijn voor de herstructureringspraktijk?

De Hoge Raad bepaalt dat het tweede bewijsvermoeden (de driejaarstermijn) niet zelfstandig kan worden toegepast als de inspecteur geen begin van bewijs heeft geleverd. Het enkele vervreemden van de aandelen binnen drie jaar is daarmee niet langer voldoende om de bewijslast bij de belanghebbende te leggen. Daarvoor moet de inspecteur eerst zelf aan de slag. In dossiers waarin de inspecteur zich beroept op de driejaarstermijn zonder zelf een begin van bewijs te leveren, kan de belastingplichtige wijzen op de bewijslastverdeling die uit dit arrest volgt. Dat geldt zowel in de fase van bezwaar en beroep, als bij lopende vooroverlegtrajecten. Een (nieuwe) inhoudelijke analyse van de feiten en de onderbouwing van de zakelijke overwegingen is daarbij essentieel. Hebt u daarbij hulp nodig, neem dan contact op.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: