Het Kinderdagverblijf-arrest over het criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in de btw
- Publicatiedatum 14 dec 2025
- Aanpassingsdatum 14 dec 2025
- Leestijd 4 min
Het opleveren van een nieuw vervaardigde onroerende zaak is een btw-belaste prestatie. Voor zover het goed al in bezit was van de verkrijger wordt dit via een fictie geregeld. Vervaardiging vereist dat er sprake is van een onroerende zaak die eerder niet bestond. Herstel- en reparatiewerkzaamheden leiden daarom niet tot een vervaardiging. Deze regels maken dat het van belang is om te weten of bij een (ingrijpende) verbouwing sprake is van een nieuw vervaardigde onroerende zaak of niet. Hierover is in de loop van de jaren de nodige rechtspraak verschenen. Een belangrijk arrest op dit gebied komt uit 2010. Dit arrest staat ook wel bekend als het Kinderdagverblijf-arrest. In deze zaak heeft de Hoge Raad het criterium van ‘in wezen nieuwbouw’ geformuleerd. In dit artikel behandel ik de zaak die leidde tot het arrest uit 2010 over het criterium ‘in wezen nieuwbouw’ en de verbouwing van het kinderdagverblijf.
Verbouwing tot kinderdagverblijf leidt volgens inspecteur tot nieuw onroerend goed
De belastingplichtige in deze zaak is een kinderopvangorganisatie die uitsluitend btw-vrijgestelde prestaties verricht. In januari 2001 is een woon-winkelpand verkregen. Tot aan de levering was in het winkeldeel een laboratorium gevestigd. De belastingplichtige verkrijgt een bouwvergunning om het pand te verbouwen van woon-winkelpand tot kinderdagverblijf. Deze verbouwing vindt ook in 2001 plaats. Het uiterlijk van het pand is vrijwel onveranderd. De voorpui is vernieuwd en er is een speelterrein aangelegd. In mei 2002 neemt de kinderopvang het pand in gebruik. Volgens de inspecteur is sprake van een nieuw vervaardigd onroerend goed. Aangezien het pand al in bezit was van het kinderdagverblijf, legt hij via de fictiebepaling een naheffingsaanslag btw op. De oplevering van de nieuwe onroerende zaak is daardoor aan btw-heffing onderworpen. Voor de belastingplichtige is dit onwenselijk omdat zij deze btw niet kan verrekenen.
Gerechtshof baseert oordeel op ‘vereenzelviging’ na verbouwing
Het gerechtshof kwam tot het oordeel dat sprake is van nieuw vervaardigd onroerend goed. Volgens het hof is het zo dat het pand na de verbouwing niet kan worden vereenzelvigd met het pand zoals dat voor de verbouwing bestond. Daarbij acht het hof de volgende aspecten van belang:
- De indeling is vrijwel volledig gewijzigd, net als de aanwendingsmogelijkheden.
- Het pand is niet op eenvoudige wijze weer geschikt te maken voor gebruik als woon-winkelpand.
- Dat het uiterlijk van het pand nauwelijks is gewijzigd doet daaraan niet af.
- De klassieke woonfunctie is gewijzigd naar kinderdagverblijf.
- Er zijn voorzieningen aangepast.
- De inwendige verbouwing maakt dat naar maatschappelijke opvattingen in het spraakgebruik een nieuw goed is ontstaan.
Hoge Raad formuleert criterium van ‘in wezen nieuwbouw’ (Kinderdagverblijf-arrest)
Volgens de Hoge Raad moet een ander toetsingskader worden aangehouden. Hij oordeelt dat van de vervaardiging van een (nieuw) goed alleen sprake is als door de werkzaamheden aan de onroerende zaak in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Dit is een ander criterium dan de vereenzelviging waar het gerechtshof aansluiting bij heeft gezocht. Het oordeel van het hof kan daarom niet overeind blijven.
Hoge Raad: verbouwing tot kinderdagverblijf is geen in wezen nieuwbouw
De Hoge Raad besluit deze zaak zelf af te doen. Volgens hem laten de stukken geen andere conclusie toe dan dat van in wezen nieuwbouw geen sprake is. Er zijn geen aanwijzingen dat voor de indeling van het pand ten behoeve van het gebruik als kinderdagverblijf ingrepen hebben plaatsgevonden die van zodanige aard waren dat in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Het vernieuwen van de voorpui en de aanleg van een speelterrein doen aan dat oordeel niet af. Voor de belastingplichtige is dit een gunstige uitkomst. Nu geen sprake is van een nieuw vervaardigd onroerend goed is de btw-naheffingsaanslag van tafel.
Het in wezen nieuwbouw-criterium uit het Kinderdagverblijf-arrest
In dit arrest heeft de Hoge Raad de ‘in wezen nieuwbouw’ regel geformuleerd. In de jaren na 2010 is over dit onderwerp nog de nodige rechtspraak verschenen. Daarin is dit criterium nader ingevuld en aangescherpt. Tot volledige duidelijkheid heeft dat nog altijd niet geleid. Ook bestaat er nog steeds discussie over de vraag of de Nederlandse toepassing van deze regels wel in lijn is met de EU-uitleg. Hebt u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust vrijblijvend contact met ons op.
Bronnen:
- Hoge Raad 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6681 (Kinderdagverblijf-arrest over het criterium ‘in wezen nieuwbouw’ voor de btw).
- Parket bij de Hoge Raad 3 mei 2010, ECLI:N:HR:PHR:2010:BM6681 (Conclusie A-G over vervaardiging van (onroerend) goed in de btw).
- Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 29 januari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6774 (Oordeel hof over ingrijpende verbouwing aan Kinderdagverblijf).
Meer over dit thema:
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan