Hof Den Haag over het begrip ‘verblijfplaats’ bij de bijtelling auto van de zaak
- Publicatiedatum 12 nov 2024
- Aanpassingsdatum 09 jan 2026
- Leestijd 5 min
Kan de verblijfplaats van een (nieuwe) partner kwalificeren als een verblijfplaats van de werknemer zelf? Als dat het geval is, dan is sprake van woon-werkverkeer en niet van privékilometers. Is hiervan geen sprake, dan zijn alle ritten naar deze locatie privé-ritten. Het belang hiervan is groot, want zolang het aantal privékilometers lager ligt dan 500 op kalenderjaarbasis is bijtelling niet aan de orde. Op 12 maart 2024 heeft het gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een geschil hierover tussen de Belastingdienst en een belastingplichtige. Volgens het hof staat de locatie de werknemer ter beschikking en verblijft hij er voldoende regelmatig. Er is daarom sprake van een verblijfplaats. Dit artikel gaat in op deze zaak en het geschetste toetsingskader.
Werknemer heeft woonplaats en verblijfplaats voor de bijtelling
Het gaat in deze zaak om een werknemer met een auto van de zaak. De bedoeling is om niet meer dan 500 kilometer per jaar privé met de auto te rijden. Deze werknemer is gescheiden en zijn kinderen verblijven om de week bij hem in zijn woonplaats. Daarnaast heeft de werknemer een nieuwe vriendin (partner). Deze partner woont op een andere plaats. De werknemer verblijft regelmatig bij deze partner. De ritten tussen de werklocatie en het adres van de partner, merkt de werknemer ook aan als zakelijke (woon-werk) ritten. Hij meent dat sprake is van een verblijfplaats. Dat is volgens de Belastingdienst niet het geval. De inspecteur meent dat het verblijf bij de nieuwe partner niet duurzaam genoeg is om van een verblijfplaats te kunnen spreken.
Rechtbank stelt werknemer in het gelijk over bijtelling en verblijfplaats
De werknemer is het hier niet mee eens en stapt naar de rechter. De rechtbank beoordeelt de zakelijkheid van de rit op basis van het doel van de rit. Zij geeft aan dat de werknemer zowel vanaf het woonadres als vanaf het adres van de nieuwe partner, naar het werk reist. Die ritten hebben allemaal hetzelfde doel: reizen naar het werk en later weer ‘thuis’ komen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de ritten naar de (vermeende) verblijfplaats anders te behandelen dan de ritten naar de woonplaats. Deze ritten worden daarom allemaal aangemerkt als woon-werkverkeer en zijn allemaal zakelijk. Er is geen sprake van onvoldoende duurzaamheid om van een verblijfplaats te kunnen spreken. De duurzaamheid die benodigd is om van een verblijfplaats te kunnen spreken is niet gekoppeld aan een ‘harde’ termijn, maar kan ook volgen uit een bestendige gedragslijn. De Belastingdienst gaat tegen deze uitspraak in hoger beroep.
Gerechtshof buigt zich over de woon- en verblijfplaats voor de bijtelling
Het gerechtshof geeft aan dat het begrip ‘woon-werkverkeer’ niet is gedefinieerd in de wet. Het gaat bij woon-werkverkeer voor de bijtelling om het reizen tussen de woon- of verblijfplaats en het werk, waarbij de heen- en de terugreis plaatsvinden binnen 24 uur. Een werknemer kan gelijktijdig een woonplaats en een verblijfplaats hebben. Ook de term verblijfplaats is niet in de wet gedefinieerd. Volgens het gerechtshof is een verblijfplaats een plaats die de werknemer ter beschikking staat en waar hij regelmatig verblijft. In deze zaak gaat het om negentien ritten in vijf maanden. Dat is volgens het gerechtshof voldoende regelmatig. Een vast ritme of langere aaneengesloten perioden zijn geen vereisten. Tijdens dit verblijf staat de woning ook ter beschikking van de werknemer. De woning van de nieuwe partner geldt daarom als verblijfplaats voor de bijtelling en de reizen vallen onder het woon-werkverkeer. Ook het gerechtshof stelt de werknemer in het gelijk.
Hof Den Haag schetst geen duidelijke ondergrens waardoor onzekerheid blijft
Het gerechtshof stelt in deze zaak twee voorwaarden om te kunnen spreken van een 'verblijfplaats' in het kader van woon-werkverkeer:
- De plaats moet de belastingplichtige (werknemer) ter beschikking staan.
- De belastingplichtige (werknemer) moet regelmatig op de plaats verblijven.
Of aan deze voorwaarden is voldaan, is volgens het hof afhankelijk van de relevante feiten en omstandigheden in voorkomende gevallen. Ondanks dat het hof door het duidelijk neerzetten van dit toetsingskader wat meer richting geeft aan de uitleg van het begrip 'verblijfplaats', is van een duidelijke ondergrens geen sprake. Dat betekent dat in de praktijk onzekerheid kan blijven bestaan, net als geschillen hierover met de Belastingdienst.
Foutieve inschatting 'verblijfplaats' kan forse financiële gevolgen hebben
Zoals in dit artikel beschreven heeft het gerechtshof Den Haag het begrip 'verblijfplaats' nader ingevuld en een duidelijk toetsingskader onder het voetlicht gebracht. Dat zijn positieve ontwikkelingen voor de (rechts)praktijk. Waar de precieze drempel ligt voor het aannemen van een verblijfplaats is echter nog altijd onduidelijk. De gevolgen van een onjuiste aanname kunnen groot zijn. Indien het aantal privékilometers onverhoopt alsnog boven de 500 op kalenderjaarbasis uitkomt, is alsnog de bijtelling voor de auto van de zaak verschuldigd. Over het algemeen is dat een behoorlijke kostenpost, die nog wordt vermeerderd met belastingrente en soms een boete. In situaties waarin twijfel bestaat over de kwalificatie van een verblijfplaats, is een kritische toetsing aan het door het hof geformuleerde kader aangewezen. Hierover kan desgewenst contact met ons worden opgenomen.
Meer over dit thema:
- Terechte naheffing van bijtelling wegens terbeschikkingstelling personenauto door kinderdagverblijf.
- Bijtelling auto van de zaak en de Belastingdienst.
- De verklaring geen privégebruik auto in de loonbelasting.
- Terechte naheffing van bijtelling: achteraf opgemaakte rittenregistratie onderuit door verkeersboete.
- De fiscale woonplaats van een natuurlijk persoon.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan