Stel een vraag
Ritten naar nieuwe partner kwalificeren als woon-werkverkeer voor de bijtelling
JurisprudentieLoonheffingen kopieer en deel Naar kennisbank

Ritten naar nieuwe partner kwalificeren als woon-werkverkeer voor de bijtelling

  • Publicatiedatum 12 nov 2024
  • Aanpassingsdatum 23 jul 2026
  • Leestijd 4 min

Met de Belastingdienst kan een discussie ontstaan over de vraag of bepaalde ritten met een auto van de zaak kwalificeren als privéritten of niet. Voor de bijtelling behoort woon-werkverkeer niet tot de privéritten. Dat roept de vraag op of de verblijfplaats van een nieuwe partner van een werknemer kwalificeert als een verblijfplaats van de werknemer zelf. Is dat het geval, dan zijn de ritten naar deze verblijfplaats geen privéritten. Over deze kwestie heeft het gerechtshof Den Haag zich uitgesproken. Dit hof oordeelt dat de locatie de werknemer ter beschikking staat en dat de werknemer er volgende regelmatig verblijft. Van privéritten is daarom geen sprake.

De woonplaats en de verblijfplaats voor de bijtelling in de loonbelasting

Een werknemer heeft een auto van de zaak. De bedoeling is dat er niet meer dan 500 privékilometers per kalenderjaar worden afgelegd. Er is dan geen bijtelling verschuldigd. De werknemer is gescheiden en zijn kinderen verblijven om de week bij hem. Dat gebeurt op de woonplaats van de werknemer. Daarnaast heeft de werknemer een nieuwe partner. Deze partner woont op een andere locatie. De werknemer gaat regelmatig naar deze partner toe. De ritten tussen de werklocatie en het adres van de nieuwe partner merkt de werknemer aan als woon-werkverkeer (zakelijk voor de bijtelling). Hij onderbouwt dit met de stelling dat er sprake is van een verblijfplaats. De Belastingdienst is het daarmee oneens. Hij neemt het standpunt in dat het verblijf bij de nieuwe partner niet duurzaam genoeg is om van een verblijfplaats te kunnen spreken.

Rechtbank oordeelt dat ritten naar nieuwe partner kwalificeren als woon-werkverkeer

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van woon-werkverkeer. Daarvoor kijkt de rechtbank eerst naar het doel van de rit. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de werknemer vanaf zijn woonlocatie en vanaf de locatie van de nieuwe partner naar het werk reist. Die ritten hebben hetzelfde doel: reizen naar het werk en weer thuiskomen. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding om de ritten naar de locatie van de nieuwe partner anders te behandelen. Het geheel aan ritten wordt daarom aangemerkt als woon-werkverkeer. Het argument dat er sprake is van een onvoldoende duurzaam verblijf wijst de rechtbank af. De duurzaamheid die nodig is om van een verblijfplaats te kunnen spreken is niet gekoppeld aan een ‘harde’ termijn, maar kan ook volgen uit een bestendige gedragslijn.

Gerechtshof geef toelichting op woon- en verblijfplaats voor de bijtelling

Het gerechtshof wijst erop dat het begrip woon-werkverkeer niet in de wet is gedefinieerd.[1] Woon-werkverkeer moet worden uitgelegd als het reizen tussen de woon- of verblijfplaats en het werk, waarbij de heen- en terugreis plaatsvindt binnen 24 uur. Een werknemer kan gelijktijdig een woonplaats en een verblijfplaats hebben. De term verblijfplaats is eveneens niet in de wet gedefinieerd. Van een verblijfplaats is volgens het gerechtshof sprake als de plaats de werknemer ter beschikking staat en hij er regelmatig verblijft. In deze zaak betreft het negentien ritten in vijf maanden. Dat is voldoende. Een nadere eis, zoals een aaneengesloten periode of een vast ritme, wordt niet gesteld.

Wanneer is sprake van een verblijfplaats voor de bijtelling?

Uit de uitspraak van het gerechtshof kunnen twee voorwaarden worden afgeleid om te kunnen spreken van een verblijfplaats in het kader van woon-werkverkeer:

  1. De plaats moet de werknemer ter beschikking staan.
  2. De werknemer moet regelmatig op de plaats verblijven.

Het gerechtshof heeft aan deze eisen geen nadere invulling gegeven. Zij geeft slechts aan dat per situatie een beoordeling moet plaatsvinden op basis van de voorliggende feiten. Daarmee ontstaat onzekerheid over de precieze uitleg van deze regel en de ondergrenzen die gelden. Toekomstige rechtspraak zal hierover meer uitsluitsel moeten geven.

Woon-werkverkeer en de bijtelling in de loonbelasting

Het is vaak cruciaal dat ritten naar een vaste woon- of verblijfsplaats kwalificeren als woon-werkverkeer. Is dat niet het geval, dan tellen deze ritten namelijk mee voor de 500 kilometergrens. Een onjuiste inschatting van het karakter van een rit kan hierdoor leiden tot forse naheffingen van de Belastingdienst. Het is daarom van belang om vooraf een goede inschatting te maken van de situatie en daarnaar te handelen. Daarvoor kunt u desgewenst contact met ons opnemen.

[1] Gerechtshof Den Haag 12 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:908.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: