Beperkt overgangsrecht bij verkorting 30%-regeling toegestaan – Hoge Raad 2026
- Publicatiedatum 11 mrt 2026
- Aanpassingsdatum 12 apr 2026
- Leestijd 8 min
Kon de wetgever volstaan met beperkt overgangsrecht bij de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019? De Hoge Raad oordeelde op 13 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:123) dat dat het geval is. De hoogste rechter ziet geen schending van het eigendomsrecht of discriminatieverbod van het EVRM. Verder oordeelt de Hoge Raad dat na een wisseling van werkgever de nieuwe 30%-beschikking doorslaggevend is. Belastingplichtigen die niet op tijd in bezwaar gingen tegen de 30%-beschikking staan met lege handen.
Wat oordeelt de Hoge Raad over het overgangsrecht bij de verkorting van de 30%-regeling in het kort?
De Hoge Raad heeft op de proefprocedures beslist en geeft definitieve duidelijkheid over de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling per 2019. Hij oordeelt in de zaak (ECLI:NL:HR:2026:123) samengevat het volgende:
- De verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019 naar vijf jaar blijft in stand. De cassatiemiddelen over de algemene rechtsbeginselen, het eigendomsrecht en het discriminatieverbod falen.
- Dit oordeel geldt ongeacht of de oorspronkelijke looptijd acht of tien jaar bedroeg en ongeacht de begin- en einddatum in de beschikking.
De Hoge Raad oordeelt in de zaak (ECLI:NL:HR:2026:124) samengevat het volgende:
- Een 30%-beschikking is een constitutief vereiste voor de toepassing van de 30%-regeling. Als de 30%-beschikking de relevante tijdvakken niet bestrijkt moet tegen die beschikking bezwaar worden gemaakt. Dat is niet mogelijk als de beschikking onherroepelijk vaststaat. Ook is het niet mogelijk om terug te vallen op een eerdere beschikking met een langere looptijd.
Zes proefprocedures over de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling per 2019
In deze zaak staat niet de positie van één specifieke belanghebbende centraal. Het betreft een zestal proefprocedures over hetzelfde onderwerp, namelijk de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling. Per 1 januari 2019 is de looptijd verkort van acht jaar naar vijf jaar. Deze maatregel is ook toegepast op bestaande gevallen. Dat zijn belanghebbenden die op het moment dat de verkorting ingaat al een 30%-beschikking hebben. Er is voor zulke bestaande gevallen wel voorzien in beperkt overgangsrecht.
- Het overgangsrecht hield in dat voor bestaande gevallen een eerbiedigende werking bestond tot 1 januari 2021.
- Voor belanghebbenden van wie de oorspronkelijke looptijd op of na 1 januari 2021 zou eindigen, volgt effectief dus toch een verkorting van de maximale looptijd.
- In de proefprocedure staat de vraag centraal of deze verkorting in strijd is met het recht.
Welke cassatiemiddelen over de 30%-regeling beoordeelt de Hoge Raad?
Het betreft in totaal zes dossiers. In drie zaken staan de volgende cassatiemiddelen centraal:
- Zijn de algemene rechtsbeginselen geschonden?
- Is er sprake van een schending van het eigendomsrecht (artikel 1 EP EVRM)?
- Is er sprake van een schending van het discriminatieverbod uit onder andere het EVRM?
In de andere drie zaken betreft het een andere situatie. Daar is de werknemer tussentijds van werkgever gewisseld. Er is een tweede 30%-beschikking afgegeven. In die beschikking is bij het bepalen van de looptijd al rekening gehouden met de verkorting per 1 januari 2019. Tegen deze beschikking is geen bezwaar aangetekend. Het gevolg is dat de belanghebbenden hier procederen tegen de inhouding van loonheffingen over tijdvakken waarop geen geldige 30%-beschikking van toepassing is.
- Heeft het gerechtshof terecht geoordeeld dat de 30%-regeling niet van toepassing kan zijn, omdat in de tweede 30%-beschikking de in geschil zijnde tijdvakken niet zijn genoemd en daartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt?
Waarom heeft er een verkorting van de looptijd van de 30%-regeling plaatsgevonden?
De verkorting van de looptijd van de 30%-regeling was onderdeel van het Belastingplan 2019. Deze keuze vloeit voort uit een evaluatie van de 30%-regeling. Een van de aanbevelingen was het verkorten van de looptijd. Circa 80% van de gebruikers van de 30%-regeling gebruikt de regeling maximaal 5 jaar. Van de overige 20% besluit een substantieel gedeeltelijk om zich langdurig in Nederland te vestigen, zodat er geen sprake (meer) is van tijdelijke kosten. In het eerste voorstel wilde het kabinet niets weten van overgangsrecht. Volgens het kabinet is overgangsrecht niet juridisch noodzakelijk. Een van de redenen hiervoor is dat op de 30%-beschikkingen een voorbehoud voor wijzigingen in wet- en regelgeving is opgenomen. Ook wil het kabinet een ongelijke behandeling voorkomen. Uiteindelijk volgt er wel overgangsrecht. Dat overgangsrecht is bedoeld voor de groep van wie de 30%-regeling in 2019 of 2020 zou eindigen door dit voorstel. Deze groep mag de regeling voortzetten tot en met 31 december 2020.
- Het opnemen van een overgangsregeling is bedoeld om te zorgen dat de betrokkenen meer tijd hebben om te anticiperen op de verkorting van de looptijd. Nog altijd is het kabinet van mening dat overgangsrecht niet juridisch noodzakelijk is.
Geen ruimte voor toetsing aan de algemene rechtsbeginselen
Het Hof oordeelde dat het de verkorting van de looptijd niet kon toetsen aan de algemene rechtsbeginselen. Dat komt omdat er sprake is van een wet in formele zin. Buitentoepassingverklaring is dan alleen mogelijk als er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn verdisconteerd. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof hiermee het juiste beoordelingskader aangehouden. Ook heeft het Hof volgens de Hoge Raad op juiste gronden geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn. De wetgever was bewust met bestaande gevallen en de gevolgen voor deze groep. De gevolgen zijn bedoeld en voorzien. Dat de belanghebbende het inhoudelijk oneens is, doet niet af aan de afwezigheid van bijzondere omstandigheden.
Geen schending eigendomsrecht EVRM bij verkorting 30%-regeling
Een aantasting van een eigendomsrecht is slechts toegestaan als dit lawful is, een legitimate aim dient en er een fair balance tussen het algemeen belang en het individuele belang aanwezig is. De verkorting is in elk geval lawful, omdat deze volgt uit de wet. Ook achtte de A-G het vergroten van de doelmatigheid, het budgettair belang en het (via beperkt overgangsrecht) gelijk behandelen van gelijke situaties legitieme doelen. Dan resteert de vraag naar de fair balance. De wetgever heeft op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge. Die is hier niet overschreden. Daarbij speelt onder andere mee dat belastingplichtigen in redelijkheid niet erop kunnen vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft. Dat geldt ook als er een 30%-beschikking is afgegeven met een bepaalde looptijd. In die beschikking is doorgaans ook een voorbehoud voor wijzigingen in wet- en regelgeving aangebracht.
- De verkorting van de looptijd van de 30%-regeling zonder volledig eerbiedigend overgangsrecht is niet in strijd met artikel 1 EP EVRM.
Is de toekomstige aanspraak op toepassing van de 30%-regeling wel een eigendomsrecht?
Van een schending van het recht op ongestoord genot van eigendom kan alleen sprake zijn als er een eigendomsrecht in het spel is. De vraag is of de aanspraak op het kunnen toepassen van de 30%-regeling in een toekomstig tijdvak wel een dergelijk recht is. In zijn conclusie komt de A-G (ECLI:NL:PHR:2025:1239) niet tot een beantwoording van deze vraag, maar hij merkt zijdelings wel op dat hij ernaar neigt dat een toekomstige aanspraak op zichzelf geen eigendom vormt. Het oordeel over de schending van het eigendomsrecht is daarmee tot stand gekomen onder de aanname dat sprake is van een eigendomsrecht. Wat precies kwalificeert als een eigendomsrecht (en wat niet) blijft daarmee een interessante en openstaande rechtskwestie.
Geen verboden discriminatie bij verkorting maximale looptijd 30%-regeling per 2019
Er is ook geen sprake van een schending van het discriminatieverbod. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het bepalen of gevallen gelijk zijn en of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor een ongelijke behandeling. Die ruime vrijheid is hij hier niet te buiten gegaan. Er is geen sprake van enige willekeur, omdat alle bestaande gevallen tot 2021 de tijd krijgen om op de verkorting te anticiperen.
Aanvechten beperkt overgangsrecht vereist 30%-beschikking
Een groep belastingplichtigen bezit een 30%-beschikking waarin de verkorte looptijd is opgenomen, terwijl zij oorspronkelijk een ‘lange’ looptijd hadden. Dit heeft zich voorgedaan bij een wisseling van werkgever. Bij een dergelijke wisseling wordt een nieuwe 30%-beschikking afgegeven. Daarin stond dan een kortere looptijd (met inachtneming van de verkorting). Tegen de kortlopende beschikking is niet-tijdig bezwaar gemaakt. Daardoor is de 30%-regeling per de in die beschikking genoemde datum geëindigd. Deze groep claimt voor latere tijdvakken alsnog de 30%-regeling, omdat de verkorting ontoelaatbaar zou zijn. Het Hof wees deze claim af, omdat over die tijdvakken geen 30%-beschikking is afgegeven. Reeds op die grond is het toepassen van de regeling niet mogelijk. Er had tijdig bezwaar tegen de 30%-beschikking moeten worden gemaakt. Volgens de Hoge Raad is het Hof op juiste gronden tot dit oordeel gekomen.
Wat is het belang voor de praktijk van het arrest over het overgangsrecht bij de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling per 2019?
Het komt in de praktijk vaker voor dat een gebrek aan overgangsrecht bij het veranderen van wet- en regelgeving nadelige gevolgen heeft voor belastingplichtigen. Denk bijvoorbeeld aan de aanstaande versobering van de youngtimerregeling. Dergelijke nadelige gevolgen leiden vaak tot een gevoel van onrechtvaardigheid. In deze zaak is door de A-G duidelijk aangegeven dat belastingplichtigen er niet op mogen vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft. Ook is het treffen van volledig eerbiedigend overgangsrecht niet noodzakelijk. Wel dient de wetgever aandacht te hebben voor de gevolgen voor bepaalde groepen. Dit is niet altijd het geval. Hebt u vragen over de 30%-regeling of overgangsrecht bij fiscale wetswijzigingen? Neem dan contact op.
Bronnen:
- Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123 (Beperkt overgangsrecht bij verkorting looptijd 30%-regeling naar 5 jaar per 2019 is rechtsgeldig).
- Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:124 (Nieuwe 30%-beschikking na wisseling van werkgever is constitutief vereiste voor toepassing 30%-regeling).
- Parket bij de Hoge Raad 14 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1239 (Conclusie A-G over beperkt overgangsrecht bij verkorting looptijd 30%-regeling per 2019).
- Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:565.
- Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:566.
Meer over dit thema:
- Terechte afwijzing voortzetting 30%-regeling bij nieuwe werkgever na meer dan drie maanden werkloosheid.
- Evaluatie van de 30%-regeling 2024: kunde, kosten en keuzes.
- Beperking expatregeling (30%-regeling) tot Balkenende-norm per 2024.
- Geen expatregeling omdat mondelinge arbeidsovereenkomst niet is bewezen.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan