Stel een vraag
Het arrest Hakamp over een ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden’ bij internationale premieheffing (C-203/24).
HRMInternationaal belastingrechtJurisprudentieLoonheffingen kopieer en deel Naar kennisbank

Het arrest Hakamp over een ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden’ bij internationale premieheffing (C-203/24).

  • Publicatiedatum 03 dec 2025
  • Aanpassingsdatum 03 dec 2025
  • Leestijd 6 min

Grensoverschrijdend werken komt steeds meer voor. De werknemer die over de landsgrenzen gaat werken – en soms zelfs in meerdere landen werkzaam is – ziet dat zijn fiscale positie complexer wordt. Zo zijn belastingverdragen relevant bij het bepalen welk land over welk deel van het inkomen mag heffen, maar deze verdragen gelden niet voor de sociale zekerheid. Binnen de Europese Unie bestaat voor de sociale zekerheid een tweetal belangrijke verordeningen. Het betreft de basisverordening (EG 883/2004) en de toepassingsverordening (EG 987/2009). Een belangrijke regel is dat de werknemer die in twee of meer lidstaten werkt, sociaal verzekerd is in zijn woonstaat als hij daar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht. Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Hakamp-arrest verduidelijkt hoe de beoordeling van een ‘substantieel gedeelte’ moet plaatsvinden. Dit artikel behandelt dat arrest.

Werknemer uit Nederland werkt als schipper in meerdere lidstaten

Deze zaak gaat over een werknemer van een scheepvaartbedrijf. Hij woont in 2016 in Nederland en staat op de loonlijst van een werkgever in Liechtenstein. Hij is werkzaam als schipper bij een in Nederland geregistreerd en gevestigd scheepvaartbedrijf. In 2016 werkt hij in Nederland, België en Duitsland. Op basis van het vaartijdenboek is hij in 2016 22% van de totale vaartijd in Nederland geweest. Er ontstaat een discussie over het land waar de werknemer sociaal verzekerd is. De SVB heeft een A1-verklaring afgegeven waarin is opgenomen dat de werknemer in Nederland sociaal verzekerd is. Deze is het daarmee oneens en meent dat hij in Liechtenstein sociaal verzekerd is. De discussie richt zich op de vraag of deze werknemer wel of niet een ‘substantieel gedeelte’ van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Als dat niet het geval is, dan is de wetgeving van Liechtenstein van toepassing.

Het criterium ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden’

Wie werkt in twee of meer lidstaten binnen de Europese Unie is slechts aan de socialezekerheidswetgeving van een van de lidstaten onderworpen. Dat is geregeld in een verordening. De wetgeving van de woonstaat van de werknemer is van toepassing als de werknemer in de woonstaat een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden uitoefent. Bij de beoordeling of daarvan sprake is geldt dat een aandeel van minder dan 25% geldt als indicatie dat geen sprake is van een substantieel gedeelte. Bij werkzaamheden in loondienst vindt de beoordeling mede plaats op grond van de criteria arbeidstijd en/of bezoldiging. Het arrest Hakamp gaat over de vraag hoe deze regel over het bepalen of sprake is van een 'substantieel gedeelte van de werkzaamheden' moet worden uitgelegd.

Geschil over toepassing van de 25%-norm voor een 'substantieel gedeelte'

De SVB is van mening dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, ondanks dat sprake is van een 22%-aandeel. Volgens de SVB gaat het niet alleen om het loon, maar ook om de woonplaats van de werknemer, de registratieplaats van het schip en de vestigingsplaats van de eigenaar en exploitant van het schip. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) laat dit oordeel intact. Daarbij wijst hij erop dat hij eerder heeft bepaald dat SVB zelf een weging mag maken in de relevante feiten en omstandigheden. De Hoge Raad besluit om over dit onderwerp vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).

De prejudiciële vragen in de zaak Hakamp (C-203/24)

De Hoge Raad formuleert – eenvoudig verwoord – de volgende vragen voor het HvJ EU:

  1. Welke omstandigheden kunnen meebrengen dat een aandeel van minder dan 25% toch een substantieel aandeel vormt?
  2. Zijn de omstandigheden die de SVB heeft gebruikt in deze zaak zulke omstandigheden?
  3. Welk tijdvak is relevant als de toepasselijke wetgeving wordt bepaald?
  4. Heeft het bevoegde orgaan (in Nederland de SVB) beoordelingsruimte?

Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU deze vragen beantwoord.

HvJ EU (2025): Twee factoren tellen mee en 25%-drempel is de ondergrens

Het HvJ EU wijst erop dat in de regels alleen de criteria arbeidstijd en bezoldiging expliciet zijn benoemd. In de Nederlandse versie is het woord ‘mede’ opgenomen, maar dat woord komt niet in elke versie terug. Daarom ziet het HvJ EU zich voor de vraag gesteld hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Hij zoekt daarvoor aansluiting bij het doel en de opzet van de regeling. Op die grond komt hij tot het oordeel dat de drempel van 25% een harde is en dat de enige criteria die meewegen de arbeidstijd en/of de bezoldiging zijn. Er is geen ruimte om andere omstandigheden in aanmerking te nemen. Het gevolg hiervan is dat het bevoegde orgaan (de SVB) geen ruimte heeft om andere criteria mee te wegen in haar beoordeling dan de genoemde criteria. Een aandeel van 22% is dus altijd onvoldoende en het meewegen van andere criteria is niet toegestaan.

 HvJ EU (2025): Alleen verwachting voor de komende twaalf maanden telt mee

De laatste vraag die dan nog openstaat gaat over het relevante tijdvak. De SVB heeft in deze zaak informatie in de beoordeling betrokken die ziet op de periode 2012-2013. Het verzoek ziet echter op 2016 en in die eerdere jaren was de werknemer ook nog niet werkzaamheden voor deze werkgever. Volgens het HvJ EU is het alleen mogelijk om rekening te houden met de verwachte situatie in de komende twaalf maanden. Dat staat in de regels. Deze periode van twaalf maanden vangt aan op het moment dat de uitoefening van de werkzaamheden in twee of meer lidstaten begint. Er is geen regel die de mogelijkheid biedt om rekening te houden met het verleden.

Arrest Hakamp zet aan tot nieuw beleid omtrent ‘substantieel gedeelte’

Veel partijen zijn verrast door de uitkomsten van dit arrest. Zo is in de Praktische Gids over de toepasselijke wetgeving – een gezaghebbend document in de praktijk – een aantal passages opgenomen die meer aansluiten bij de werkwijze van de SVB dan bij de zienswijze van de Europese rechter. Het ligt in de lijn der verwachting dat deze gids een update zal krijgen waarin deze jurisprudentie is verwerkt. Voor de praktijk maakt deze uitspraak de toepassing van deze regels uit de verordening wel eenvoudiger. De grens van 25% is een harde en er zijn geen andere omstandigheden dan de genoemde omstandigheden die tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Advies over internationaal werken en sociale zekerheid

Het Hakamp-arrest leidt tot een verdere verduidelijking van de beoordeling of sprake is van het verrichten van een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in het woonland. Het juist toepassen van de fiscale regels bij grensoverschrijdend werken kan een uitdaging zijn. Zo gelden verschillende regels voor de belastingheffing over het inkomen en de heffing van sociale premies. Hebt u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: