Inspecteur handelde tegen beter weten in: hogere proceskostenvergoeding in lucratief belang zaak
- Publicatiedatum 28 jul 2026
- Aanpassingsdatum 03 aug 2026
- Leestijd 5 min
De kosten in verband met de behandeling van bezwaar en beroep komen voor vergoeding in aanmerking. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding gelden de voorschriften van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Die voorzien in een forfaitaire berekening die (bij lange na) niet de volledige kosten dekt. In bijzondere situaties kan van deze forfaits worden afgeweken, bijvoorbeeld de inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld. De rechtbank Den Haag oordeelde op 9 juli 2026 dat de inspecteur dergelijk gedrag kon worden verweten in een zaak over een lucratief belang. Uit de wetsgeschiedenis was (vrijwel ondubbelzinnig) af te leiden dat de voorliggende situatie niet onder de regeling viel, maar de inspecteur ging toch over tot heffing op grond van de regeling. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van een proceskostenvergoeding ten bedrage van € 50.000. Dit artikel gaat over deze zaak.
Verkoop succesvolle onderneming trekt aandacht Belastingdienst
De zaak gaat over een oprichter van een succesvolle onderneming. In 2005 start hij met twee medeoprichters een onderneming. In de loop van de jaren en na twee kapitaalrondes (in 2006 respectievelijk 2011) wordt de onderneming verkocht aan een derde. Die verkoop vindt plaats in 2018. De oprichters hebben altijd gewone aandelen gehouden. De andere toetreders (investeerders) hielden preferente aandelen. De uiteindelijke verkoopsom was dermate hoog dat de preferentie eigenlijk geen rol heeft gespeeld. Elke aandeelhouder ontving een gelijk deel van de koopsom. Bij de verkoop is aan de oprichters een soort aanblijfbonus toegezegd, mits zij bij de ondernemingsuitoefening betrokken zouden blijven en omzetdoelstellingen zouden behalen.
Inspecteur start discussie over lucratief belang en wijkt af van aangifte
De belastingplichtige doet in 2020 aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2018. Bij een van de medeoprichters stelt inspecteur een onderzoek in. Hij meent dat er mogelijk sprake is van een lucratief belang. De betrokken adviseur verstrekt diverse opgevraagde stukken en verzoekt meerdere keren om overleg over het dossier. Dat verzoek wijst de inspecteur van de hand. Hij meent dat er te veel onduidelijkheden zijn. De adviseur blijft vragen om nadere toelichtingen, maar die komen niet. Dit resulteert in 2022 in een zeer breed informatieverzoek van de inspecteur. In oktober 2022 kondigt de inspecteur aan dat hij afwijkt van de door de belastingplichtige ingediende aangifte. Hij kondigt een correctie aan van € 59.617.526 als resultaat uit overige werkzaamheden (lucratief belang). In december 2022 volgt de aanslag inkomstenbelasting 2018 naar een te betalen bedrag van € 35.041.639, waarvan € 4.068.570 belastingrente.
Overduidelijk geen lucratief belang in deze casus
Deze zaak gaat over de lucratiefbelangregeling. Het doel van deze regeling is om beloningsbestanddelen die zijn verpakt als potentiële opbrengsten van participaties in box 1 te belasten. Het gaat dan om situaties waarin een excessief rendement kan worden behaald dat mede is bedoeld als beloning voor werkzaamheden. In de parlementaire geschiedenis is een voorbeeld opgenomen over het ontbreken van een lucratief belang bij initial investors.[1] De rechtbank wijst er in deze zaak op dat sprake is van een voorbeeld dat nagenoeg een-op-een overeenkomt met het voorbeeld.[2] Dit leidt de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel dat buiten twijfel is dat in casu geen sprake was van een lucratief belang. Ten tijde van het opleggen van de aanslag door de inspecteur was al duidelijk dat deze geen stand zou kunnen houden.
Geen lucratief belang en toekenning forfaitaire proceskostenvergoeding
De belastingplichtige neemt voor de bezwaarfase een nieuwe advocaat in de arm. Er volgt een bezwaarschrift inclusief een verzoek tot vergoeding van de integrale kosten van rechtsbijstand. De bezwaarbehandelaar is het met de belastingplichtige eens dat er geen sprake is van een lucratief belang. Hij is echter niet bereid om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Ondanks nader overleg hierover tussen de advocaat en de Belastingdienst volgt geen integrale proceskostenvergoeding. Dit leidt tot de beroepsprocedure. Het verzoek van de belastingplichtige is een proceskostenvergoeding van € 2.243.815,86.
Rechtbank oordeelt dat inspecteur tegen beter weten in handelde in lucratief belang zaak
De rechtbank staat voor de vraag of een integrale proceskostenvergoeding op zijn plaats is. Volgens de inspecteur waren op het moment van het opleggen van de aanslag nog niet alle feiten bekend. Hij kon echter niet aangeven welke feiten mogelijkerwijs tot de conclusie hadden kunnen leiden dat er sprake was van een lucratief belang. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur tegen beter weten in gehandeld. Daarbij weegt zij ook mee dat er meermaals om contact is verzocht en dat dit door de inspecteur niet tot stand is gekomen. Dit kwalificeert als een bijzondere omstandigheid die een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Deze kwalificatie geldt alleen voor de bezwaarfase en niet voor de gemaakte kosten in de beroepsfase. In de beroepsfase ging het namelijk niet meer over het lucratief belang, maar over het recht op een hogere proceskostenvergoeding.
Rechtbank kent hogere proceskostenvergoeding toe wegens gedragingen inspecteur
De belastingplichtige heeft verzocht om een kostenvergoeding van € 2.243.815,86. Daarvan heeft € 161.091 betrekking op de aanslagfase en € 444.943,24 op de beroepsfase. Die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dan resteert een bedrag van € 1.637.781,62 voor de bezwaarfase. Daarvan is ongeveer de helft toerekenbaar aan het dossier van deze belastingplichtige. Slechts die kosten komen in deze procedure voor vergoeding in aanmerking. De vervolgvraag is dan of een bedrag van € 818.890,81 kwalificeert als kosten die in redelijkheid zijn gemaakt. Volgens de rechtbank is dat niet het geval. Daarbij telt mee dat er geen declaraties zijn overgelegd en er geen specificatie van de tijdsbesteding is gegeven. Wel ziet de rechtbank dat er significante kosten zijn gemaakt voor de rechtsbijstand. Zij bepaalt daarom in goede justitie de proceskostenvergoeding op € 50.000 voor deze belastingplichtige. Dat is dus geen integrale proceskostenvergoeding, maar wel een aanzienlijk hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitair berekende.
Niet snel recht op een hogere proceskostenvergoeding
Het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding is alleen aan de orde in bijzondere situaties. Bijvoorbeeld als de inspecteur tegen beter weten in handelt of als hij anderszins in vergaande mate onzorgvuldig handelt. Het is belangrijk dat de belastingplichtige die meent aanspraak te kunnen maken op een (hogere) proceskostenvergoeding, daartoe een verzoek indient. Dit is een belangrijk onderwerp binnen het fiscale procesrecht. Hebt u daarover vragen, neem dan contact met ons op.
Bronnen:
[1] Kamerstukken II 2007/08, 31459, nr. 6, p. 23.
[2] Rechtbank Den Haag 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19383.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan