Stel een vraag
Betalingstijdstip scholingsuitgaven: depotstorting of voldoen aan toekomstige verplichting – Hoge Raad 2026
InkomstenbelastingJurisprudentie kopieer en deel Naar kennisbank

Betalingstijdstip scholingsuitgaven: depotstorting of voldoen aan toekomstige verplichting – Hoge Raad 2026

  • Publicatiedatum 10 feb 2026
  • Aanpassingsdatum 10 feb 2026
  • Leestijd 8 min

Het betalingstijdstip van scholingsuitgaven is doorslaggevend voor het beoordelen van het recht op persoonsgebonden aftrek. In zijn arrest van 6 februari 2026 wijst de Hoge Raad op het verschil tussen een depotstorting/waarborgsom en de voldoening van een toekomstige betalingsverplichting uit een bestaande rechtsverhouding (ECLI:NL:HR:2026:84). Het arrest is gewezen voor de aftrek van scholingsuitgaven, maar is door het algemene karakter van breder belang voor de fiscale praktijk. De centrale vraag is wanneer een betaling fiscaal als 'gedaan' kan worden aangemerkt.

Het arrest over het betalingstijdstip voor de scholingsuitgaven in het kort

De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het gerechtshof dat de betaling van collegegeld vóór de immigratiedatum van de student geen betaling van scholingsuitgaven betreft, maar een depotstorting/waarborgsom is. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander Hof. Dat Hof dient te onderzoeken of de betaling kan worden aangemerkt als voldoening van een toekomstige betalingsverplichting. Is dat het geval, dan bestaat er waarschijnlijk geen recht op aftrek van scholingsuitgaven, omdat de kosten zijn gemaakt in de periode van de buitenlandse belastingplicht. 

Wanneer is een betaling 'gedaan' voor de persoonsgebonden aftrekposten?

Uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1060) volgt dat het overmaken van een geldbedrag niet alleen kwalificeert als een ‘betaling’ als er een opeisbare vordering bestaat. Van een betaling is ook sprake als er op het betaalmoment een rechtsverhouding bestaat waaruit een toekomstige betalingsverplichting voortvloeit. Vereist is dan wel dat het overmaken van het geld plaatsvindt met de bedoeling om aan die verplichting te voldoen. Hierbij is het niet relevant of de ontvangende partij ook zijn of haar prestatie al heeft verricht.

  • Van een betaling is geen sprake als de belastingplichtige geld overmaakt zonder dat er een bestaande of toekomstige verplichting is. De beschikkingsmacht blijft dan bij de belastingplichtige. In dit soort situaties kan van een depotstorting/waarborgsom sprake zijn. Als sprake is van een depotstorting/waarborgsom kan op een later moment verrekening plaatsvinden.
  • Als de belastingplichtige zich erop beroept dat sprake is van een depotstorting gevolgd door een verrekening, dan rust op hem de bewijslast om dit aannemelijk te maken.

Indiase student voldoet collegegeld en living allowance ter verkrijging van een visum

De belastingplichtige in deze zaak heeft de Indiase nationaliteit. Hij komt voor een studie naar Nederland. De volgende tijdlijn is relevant:

  • 25 juni 2015: de belastingplichtige maakt het collegegeld (€ 13.560) en de living allowance (€ 10.200) over naar de bankrekening van de universiteit. Dit is noodzakelijk om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning.
  • 1 juli 2015: de uiterste datum voor het overmaken van het geld naar de universiteit. De belastingplichtige is deze termijn dus nagekomen.
  • 19 augustus 2015: de belastingplichtige schrijft zich in als inwoner van Nederland in de BRP. Vanaf deze datum kwalificeert hij als binnenlands belastingplichtige in Nederland.
  • 1 september 2015: aanvang collegejaar en datum waarop het collegegeld verschuldigd wordt.
  • 11 september 2015: de universiteit maakt het bedrag van de living allowance (verminderd met de visumkosten) over naar de Nederlandse bankrekening van de belastingplichtige.

In zijn aangifte inkomstenbelasting 2015 voert de belastingplichtige een bedrag (€ 13.310) op als persoonsgebonden aftrekpost voor scholingsuitgaven.

Waarom weigert de Belastingdienst de aftrek voor scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting?

De Belastingdienst weigert de aftrekpost voor de scholingsuitgaven. Hij wijst erop dat de aftrekpost is bedoeld voor binnenlands belastingplichtigen of kwalificerend buitenlands belastingplichtigen. Het relevante moment voor de beoordeling of hiervan sprake is, is het moment waarop de uitgaven zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. Volgens de Belastingdienst was dat voordat de belastingplichtige ging kwalificeren als binnenlands belastingplichtige. Daarom is het niet mogelijk om gebruik te maken van de aftrek voor scholingsuitgaven.

De standpunten van de belastingplichtige en de Belastingdienst

In deze procedure voert de belastingplichtige onder andere het volgende aan:

  • De betaling op 25 juni is een depotstorting die noodzakelijk is voor de aanvraag van een verblijfsvergunning.
  • Met de betaling op 25 juni is de beschikkingsmacht over het geld niet verloren, omdat sprake is van een soort waarborgsom.
  • Het collegegeld was pas verschuldigd op 1 september.
  • De verrekening van de depotstorting met het collegegeld heeft plaatsgevonden nadat hij is gaan kwalificeren als binnenlands belastingplichtige.

De belastingplichtige meent daarom recht te hebben op de aftrek voor scholingsuitgaven. De Belastingdienst kijkt hier anders tegenaan en merkt onder andere op:

  • Op 25 juni is betaald.
  • De beschikkingsmacht over het geld is op 25 juni verloren en de universiteit heeft de beschikkingsmacht erover verkregen.
  • De enige manier om de beschikkingsmacht weer te laten overgaan naar de belastingplichtige is een uitschrijvingsverzoek.
  • De betaling is gedaan op 25 juni, dat is voor de datum van het binnenlands belastingplichtig worden.

Daarom meent de Belastingdienst dat er geen recht bestaat op de aftrek van scholingsuitgaven.

Hoe komt het gerechtshof tot het oordeel dat de eerste betaling een depotstorting is?

Het Hof (ECLI:NL:GHSHE:2024:2082) wijst erop dat de belastingplichtige een visum nodig heeft. Dat vereist een bewijs dat de student het collegegeld en de levensonderhoudskosten voor het eerste jaar kan voldoen. Daarom vraagt de universiteit een bepaald geldbedrag. Zonder betaling van dit geldbedrag wordt door de universiteit geen visumaanvraag ingediend. Dit geldbedrag is op 25 juni overgemaakt. Het collegejaar is aangevangen op 1 september en uit het beleid volgt niet dat betaling van het collegegeld voor die datum nodig is. Hieruit leidt het hof af dat de belastingplichtige op het moment van het indienen van de aanvraag voor de verblijfsvergunning het collegegeld nog niet verschuldigd was. Dat was pas het geval bij aanvang van het collegejaar. Als er geen visum was verleend, zou een volledige terugbetaling van het collegegeld plaatsvinden.

  • Het Hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de betaling van 25 juni het karakter heeft van een waarborgsom om het visum te verkrijgen. Het is daarom een depotstorting.
  • Bij een depotstorting is het bedrag nog niet definitief uit het vermogen van de belastingplichtige verdwenen.

Gerechtshof oordeelt dat het collegegeld op of omstreeks 11 september 2015 is betaald

De universiteit heeft op 11 september een bedrag terugbetaald. Dat is de living allowance. Volgens het hof is het aannemelijk dat de betaling van het collegegeld heeft plaatsgevonden door een verrekening met de depotstorting. Dat is op of omstreeks die 11 september gebeurd, maar zeker niet eerder dan 1 september. Toen ving immers het collegejaar aan en op die datum is het collegegeld onvoorwaardelijk verschuldigd geworden. In de verplichting tot het doen van de depotstorting lag volgens het hof besloten dat het de partijbedoeling was om het verschuldigde collegegeld te verrekenen.

  • Het hof oordeelt het collegegeld pas was verschuldigd bij de definitieve inschrijving. Die vond plaats na afgifte van de verblijfsvergunning.
  • De betaling van het collegegeld vond plaats door verrekening rondom 11 september.
  • Op dat moment was de belastingplichtige binnenlands belastingplichtig in Nederland. Daarom is het mogelijk om gebruik te maken van de aftrek voor scholingsuitgaven.

Waarom gaat de Staatssecretaris in cassatie?

De Staatssecretaris gaat in cassatie. Hij is van mening dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd met betrekking tot de betaling van het collegegeld.

  • Volgens de Staatssecretaris had het Hof moeten motiveren waarom de betaling van 25 juni naar de bedoeling van partijen niet strekte tot het voldoen van een verplichting uit een bestaande rechtsverhouding.

De belanghebbende dient een incidenteel cassatieberoep in. Dit cassatieberoep ziet op de toegekende kostenvergoeding. Aangezien dit onderwerp niet de kern van dit artikel is, blijven deze middelen – die overigens slagen – buiten beschouwing.

Hoe komt de Hoge Raad tot vernietiging van de Hof uitspraak over het betalingstijdstip en de scholingsuitgaven?

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het gerechtshof. Het Hof heeft ten onrechte niet kenbaar onderzocht of de overboeking een betaling is op grond van een toekomstige betalingsverplichting. Dit is het geval als op het moment van betaling een rechtsverhouding bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake het collegegeld voortvloeit en de gedane betaling bedoeld is om aan die verplichting te voldoen. Het Hof heeft dit in elk geval niet duidelijk onderzocht en voor het geval zij dit helemaal niet heeft onderzocht, heeft zij een verkeerde rechtsopvatting toegepast. Ter onderbouwing verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest hierover uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1060). De Hoge Raad verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dat Hof moet onderzoeken of de overmaking van het collegegeld op 25 juni is aan te merken als een betaling in de zin van de regeling voor scholingsuitgaven. Als dat het geval is, dan ligt het niet voor de hand dat het recht op aftrek van scholingsuitgaven overeind blijft. De betaling heeft dan immers in de periode van de buitenlandse belastingplicht plaatsgevonden.

Het belang van het arrest over het betalingstijdstip persoonsgebonden aftrekposten voor de fiscale praktijk

Het is al enige tijd niet meer mogelijk om in de inkomstenbelasting scholingsuitgaven af te trekken. Toch is deze zaak voor de fiscale praktijk nog relevant. Die relevantie is met name gelegen in situaties waarin het tijdstip van betaling van belang is voor het recht op aftrek. In dit geval was de relevantie gelegen in het wel of niet kwalificeren als binnenlands belastingplichtig voor de inkomstenbelasting. Een dergelijke kwalificatie is voor meer regelingen van belang. Uit deze zaak volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het voldoen van een toekomstige betalingsverplichting (uit een bestaande rechtsverhouding) en een depotstorting/waarborgsom. Het correct bepalen van het betalingstijdstip is dan van essentieel belang en vereist een goede fiscale beoordeling. Hebt u daar vragen over, neem dan contact op.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: