Vergrijpboete Belastingdienst: wanneer wordt deze opgelegd en hoe hoog is de boete?
- Publicatiedatum 09 dec 2024
- Aanpassingsdatum 10 apr 2026
- Leestijd 14 min
Wanneer legt de Belastingdienst een vergrijpboete op en hoe hoog is deze? Een vergrijpboete wordt opgelegd bij opzet of grove schuld, bijvoorbeeld bij een onjuiste aangifte of niet-tijdige betaling. In dit artikel leest u wanneer een vergrijpboete wordt opgelegd, hoe de hoogte wordt bepaald en wat de relevante regels uit de AWR zijn.
Wat is een vergrijpboete?
Vergrijpboeten zijn bedoeld voor de zwaardere overtredingen die in de wet zijn opgenomen. Het grote verschil met een verzuimboete is dat bij een vergrijpboete de belastingplichtige een ernstiger verwijt kan worden gemaakt in de vorm van opzet en/of grove schuld. In dit artikel leest u meer over het verschil tussen de verzuimboete en de vergrijpboete. Dat is bij een verzuimboete niet het geval. De overtredingen waarvoor de wetgever een vergrijpboete passend acht komen hierna aan de orde. Onze ervaring is dat nog te vaak wordt onderschat dat de vergrijpboete een afzonderlijke discussie met eigen spelregels is in plaats van een verlengstuk van de aangebrachte correcties. Door dit onvoldoende te onderkennen blijven verweerkansen vaak liggen en dat verlaagt de slagingskansen van het verweer. Zo is de uitkomst van een procedure niet primair afhankelijk van de fiscale correctie(s), maar van het geleverde bewijs voor opzet of grove schuld.
Welke overtredingen kunnen leiden tot een vergrijpboete?
In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) staan vijf vergrijpboeten:
- Het opzettelijk niet of onjuist doen van een aangifte voor een aanslagbelasting (67d).
- De vergrijpboete bij navordering als het aan de opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat eerder te weinig belasting is geheven (67e).
- De belastingplichtige is opzettelijk of met grove schuld de informatieverplichting 'uit eigen beweging' niet nagekomen (10a).
- Bij een verzoek tot (herziening van) een voorlopige aanslag zijn opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt (67cc).
- De belasting is bij een aangiftebelasting met opzet of grove schuld niet of niet-volledig op tijd betaald (67f).
De redenen om vergrijpboeten op te leggen zijn in diverse wetgeving opgenomen. Denk aan de overtredingen inzake het privégebruik van een auto van de zaak. De inspecteur moet aangeven welke boetegrondslag hij hanteert. Doet hij dat niet, dan kan dat leiden tot vernietiging van de boete.
- De belangrijke eerste stap in een boetezaak is het controleren of de inspecteur de juiste boetegrondslag heeft vermeld.
- Ondanks dat dit artikel alle vergrijpboeten inhoudelijk behandelt, zien wij in de praktijk de vergrijpboeten van artikel 67d, artikel 67e en artikel 67f het vaakst terugkomen.
De vergrijpboete van artikel 10a AWR
Artikel 10a regelt dat als in bepaalde situaties de belastingplichtige of inhoudingsplichtige niet uit zichzelf mededeling doet van onjuistheden, dit kan leiden tot een vergrijpboete. Vereist is opzet of grove schuld. De boete bedraagt maximaal 100% van de belasting die als gevolg van de overtreding niet is of zou zijn geheven. In afzonderlijke regelgeving is dit vervolgens nader uitgewerkt voor wat betreft de termijnen en mededelingswijze. Deze boete komt onder andere aan de orde bij:
- De verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto.
- Het bestrijden van de Edelweissroute.
- Suppleties omzetbelasting. Sinds 1 januari 2025 gelden hierbij twee termijnen (lees hier ons artikel).
- De verklaring geen privégebruik auto.
- De situatie waarin binnen achttien maanden een vermogensbestanddeel uit een buitenlands beleggingslichaam is overgeheveld naar box 3 en niet in de aangifte wordt vermeld.
Verder is bij deze boete nog het volgende van belang.
- Het opleggen van deze boete vereist (voorwaardelijk) opzet of grove schuld.
- Een vergrijpboete wegens het niet uit eigen beweging mededeling doen van onjuistheden kan volgens de Hoge Raad door de beugel, ook met inachtneming van het nemo-teneturbeginsel (ECLI:NL:HR:2021:1351 en ons artikel).
- Het is vervolgens niet mogelijk om de via een suppletie verkregen informatie te gebruiken als bewijs voor het opleggen van een boete. Dit is namelijk wilsafhankelijk materiaal, aldus de Hoge Raad. Zie hiervoor het zojuist aangehaalde arrest.
- Wij zien in de praktijk dat discussies over deze boete vaak gaan over het moment waarop de belastingplichtige had moeten weten dat het verplicht was om te melden (en daarmee de tijdigheid van de melding). De belastingplichtige kan zijn positie versterken door op het moment van het constateren van de onjuistheid dit schriftelijk vast te leggen. Gebeurt dat niet, dan ontstaat er vaak een moeizame discussie over de aanwezigheid (of afwezigheid) van kennis.
De vergrijpboete van artikel 67cc AWR
Het opzettelijk onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens en inlichtingen aan de Belastingdienst bij de voorlopige aanslagregeling en bij herziening is beboetbaar. Het doel is om te voorkomen dat belastingplichtigen onjuiste feiten presenteren. Die onjuistheden kunnen namelijk leiden tot systeemfraude. Volgens de wetgever is er zonder deze sanctiebepaling voor kwaadwillenden sprake van een loterij zonder nieten. De boete bedraagt maximaal 100% van de belasting waarop de onjuiste informatieverstrekking betrekking heeft. Het opleggen van de boete kan alleen als er een verzoek is gedaan door de belastingplichtige. De boete kan niet worden opgelegd als de voorlopige aanslag of herziening ambtshalve is vastgesteld.
- Het opleggen van deze boete kan alleen als er sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Grove schuld is onvoldoende.
- De opzet dient betrekking te hebben op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en inlichtingen.
- Uit het feit dat voor boeteoplegging ‘een verzoek’ is vereist, kan worden afgeleid dat het nalaten om iets door te geven (zoals een relevante wijziging van omstandigheden) niet op deze grond beboetbaar is.
- De Belastingdienst legt deze boete niet op bij de belastingaanslag, maar op een afzonderlijke beschikking.
- De boete moet binnen vijf jaar nadat het verzoek met de onjuiste informatie is gedaan worden opgelegd.
- In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst is opgenomen dat de boete op grond van artikel 67cc AWR niet zal worden opgelegd na de dagtekening op de definitieve aanslag over het betreffende belastingjaar.
- In de praktijk is het van belang dat u in de gaten houdt dat dit voorschrift correct wordt toegepast.
- Wij zien deze boete in de praktijk minder vaak voorkomen dat de 67d- of 67e-vergrijpboete. Als de boete voorkomt dan hangt dat meestal samen met het verwijt dat op basis van onjuiste informatie een teruggaaf is ‘uitgelokt’. Met de inspecteur ontstaat dan de discussie of er door de belastingplichtige een té gunstig beeld is geschetst. Het lastige daarbij is dat het achteraf moeilijk te beoordelen was of de schatting vooraf reëel was.
De vergrijpboete van artikel 67d AWR
Het niet, onjuist of onvolledig doen van een aangifte voor een aanslagbelasting is een overtreding. Deze overtreding is beboetbaar met een vergrijpboete. Als uitgangspunt geldt dat de boete wordt opgelegd bij de aanslag. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. De boete bedraagt maximaal 100% van de grondslag, tenzij het een box 3-situatie betreft. Dan geldt een maximumpercentage van 300%. In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst zijn diverse voorschriften opgenomen over situaties waarin een vermindering van de boete aan de orde kan zijn. Bij het vormgeven van een verweer tegen deze vergrijpboete is het van belang om na te gaan of en hoe de inspecteur invulling heeft gegeven aan deze voorschriften.
- Het opleggen van deze boete kan alleen als er sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Grove schuld is onvoldoende. Dit is om te voorkomen dat goedwillende burgers vergrijpboeten krijgen opgelegd.
- Voor het opleggen van een 67d-boete moet de inspecteur bewijzen dat het aan de opzet van de belastingplichtige te wijten is dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan.
- De boete wordt opgelegd bij de belastingaanslag. Is de aanslagtermijn verlopen, dan kan er geen boeteoplegging plaatsvinden.
- Een uitzondering geldt bij verliesverrekening. Verliesverrekening kan resulteren in de afwezigheid van een belastingaanslag. Er volgt dan een afzonderlijke boetebeschikking. De termijn voor deze afzonderlijke beschikking loopt tot het moment waarop een aanslag ‘zou zijn’ vastgesteld.
- Het opleggen van een boete wegens het niet doen van de aangifte kan alleen als de inspecteur de belastingplichtige eerst heeft aangemaand.
- Bij de behandeling van een boetedossier moet worden beoordeeld of de belastingplichtige correct is aangemaand.
- In de praktijk zien wij dat een 67d-boete aan de orde komt als de aangifte helemaal niet is gedaan of als de Belastingdienst meent er opzettelijk zaken zijn achtergehouden, zoals buitenlands vermogen. Ook komt de 67d-boete voor als de belastingplichtige onrechtmatig aftrekposten opvoert (zoals zorgkosten). De discussie gaat er dan vaak over of dit opzettelijk is (beboetbaar), per ongeluk is gegaan (niet beboetbaar) of dat de belastingplichtige een eigen standpunt heeft ingenomen en geen opzet heeft gehad op een onjuiste aangifte (niet beboetbaar). De scheidslijn hiertussen is vaak dun, maar het goed verwoorden en onderbouwen dat er op het aangiftemoment geen sprake was van opzet, kan procedures doen slagen (of falen).
De vergrijpboete van artikel 67e AWR
Het opleggen van een vergrijpboete bij navordering (lees hier meer over navordering) door de inspecteur vindt plaats op grond van artikel 67e AWR. Deze boete komt op tafel als er te weinig belasting is geheven. De boete bedraagt maximaal 100% van de grondslag, tenzij het een box 3-situatie betreft. Dan bedraagt het maximumpercentage 300%. In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst zijn diverse voorschriften opgenomen over situaties waarin een vermindering van de boete aan de orde kan zijn. Bij het vormgeven van een verweer tegen deze vergrijpboete is het van belang om na te gaan of en hoe de inspecteur invulling heeft gegeven aan deze voorschriften.
- Voor het opleggen van deze boete is (voorwaardelijk) opzet of grove schuld vereist.
- De opzet of grove schuld dient te zijn gericht op het te weinig heffen van belasting.
- Het gaat hier om gedragingen van de belastingplichtige voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag.
- De boete wordt opgelegd bij de belastingaanslag. Op dit uitgangspunt bestaan twee uitzonderingen.
- De eerste uitzondering betreft de situatie waarin door verliesverrekening geen aanslag volgt. In die situatie volgt een afzonderlijke boetebeschikking met als uiterste termijn de termijn die zou gelden als er geen verliesverrekening was.
- De tweede uitzondering geldt als de gronden voor de navordering worden ontdekt in de zes maanden voorafgaand aan het verlopen van de aanslagtermijn. Het opleggen van de boete moet dan binnen zes maanden na het opleggen van de navorderingsaanslag. Als de inspecteur van deze bevoegdheid gebruik wil maken dan vereist de rechtszekerheid dat hij dat bij de navorderingsaanslag vermeldt.
- De Hoge Raad oordeelde in 2025 dat voor het opleggen van een 67e-boete niet is vereist dat de belastingplichtige is uitgenodigd en aangemaand voor het doen van de aangifte (ECLI:NL:HR:2025:1500 en ons artikel).
- De 67e-boete komt in de praktijk veel voor. Dit onderdeel van het geschil gaat dan niet over de materiële navordering, maar over de vraag of de belastingplichtige bij het doen van de aangifte een beboetbaar verwijt kan worden gemaakt. Hier zien wij vaak dat de Belastingdienst bepaalde feiten en omstandigheden anders weegt dan de belastingplichtige. Bij meerdere correcties dient de Belastingdienst verder per correctie aan bewijslevering te doen en ook dat gebeurt in de praktijk niet altijd. Daar ligt doorgaans ruimte voor het voeren van verweer.
De vergrijpboete van artikel 67f AWR
Het niet, niet-volledig of niet op tijd betalen van belasting die op aangifte is verschuldigd, kan leiden tot een vergrijpboete. Onder deze bepalingen valt dus zowel het niet betalen als het niet op tijd betalen. Verder ziet deze vergrijpboete uitsluitend op de betalingen en niet op de aangifte. Stel dat een onjuiste aangifte wordt ingediend en er een juiste en tijdige betaling van de ‘echt’ verschuldigde belasting plaatsvindt, dan kan er geen vergrijpboete op grond van deze bepaling worden opgelegd. De boete bedraagt maximaal 100% van de niet of niet-tijdig betaalde belasting. In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst zijn diverse voorschriften opgenomen over situaties waarin een vermindering van de boete aan de orde kan zijn. Bij het vormgeven van een verweer tegen deze vergrijpboete is het van belang om na te gaan of en hoe de inspecteur invulling heeft gegeven aan deze voorschriften.
- Voor het opleggen van deze boete is (voorwaardelijk) opzet of grove schuld vereist.
- De opzet of grove schuld dient te zijn gericht op het niet (volledig of tijdig) betalen van de verschuldigde belasting.
- De boete wordt gelijktijdig met de naheffingsaanslag opgelegd. Op deze hoofdregel bestaan twee uitzonderingen.
- De eerste uitzondering is de situatie waarin de grond voor de naheffing binnen zes maanden van het verval van de naheffingstermijn wordt ontdekt. In dat geval kan de inspecteur de boete opleggen binnen zes maanden na de naheffingsaanslag. Hij moet dat in het kader van de rechtszekerheid bij het opleggen van de naheffingsaanslag vermelden.
- De tweede uitzondering geldt als er sprake is van een te laat betalen. Dan volgt vaak geen naheffingsaanslag. Er volgt dan een afzonderlijke boetebeschikking.
- De termijn voor het opleggen van deze boete vervalt vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. In de praktijk blijkt dat het voorkomt dat de Belastingdienst ook na deze termijn nog een vergrijpboete oplegt. Een goed verweer vangt daarom (mede) aan met het controleren van de termijnen.
- Van een ‘betaling’ is sprake als de bijschrijving op de bankrekening van de Ontvanger heeft plaatsgevonden.
- De keuze voor een betaalmiddel is voor rekening en risico van degene die het middel inzet. Dit oordeelde het Gerechtshof Arnhem in 2003 (ECLI:NL:GHARN:2003:AL7897).
- Het opleggen van een boete op grond van artikel 67f AWR is niet mogelijk op basis van informatie uit een suppletieaangifte omzetbelasting. Die informatie kwalificeert namelijk als wilsafhankelijk materiaal en valt daarom onder het nemo-teneturbeginsel, aldus de Hoge Raad in 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1351 en ons artikel).
- Het opleggen van een 67f-boete kan alleen als de opzet of grove schuld is gericht op het in Nederland niet voldoen van belasting, aldus de Hoge Raad in 2026 (ECLI:NL:HR:2026:279 en ons artikel).
- Een 67f-boete komt in de praktijk regelmatig voor en wordt nog weleens onderschat. Het gaat hier namelijk niet over materiële onjuistheden, maar overtredingen in het betalingsgedrag. Een situatie waarin dit veel voorkomt is de situatie waarin ondernemingen in liquiditeitsproblemen zitten en daarom betalingen doorschuiven. Dit vereist bij het vormen van verweer een wezenlijk andere denkrichting dan in situatie waarin de boete is gekoppeld aan de aangifte. Gekeken moet worden naar de feiten rondom de betalingsbesluiten en de correspondentie met de Belastingdienst.
Meer weten over vergrijpboeten?
Dit artikel gaat over de vergrijpboeten die aan een belastingplichtige kunnen worden opgelegd. Het betreft een artikel van algemene aard waarin de focus ligt op de verschillende vergrijpboeten die in de wet zijn opgenomen. De volgende onderwerpen komen in afzonderlijke artikelen aan de orde:
- De procedure die de Belastingdienst moet volgen bij het opleggen van een vergrijpboete (lees hier). Bij het voeren van verweer tegen een vergrijpboete is het van belang om te weten of de Belastingdienst aan alle procedurele verplichtingen heeft voldaan. Bepaalde schendingen kunnen leiden tot vermindering (of zelfs vernietiging) van een opgelegde vergrijpboete.
- De verschillende vormen van daderschap (lees hier). Dit artikel behandelt naast de belastingplichtige/inhoudingsplichtige ook de positie van de medepleger, de medeplichtige, de uitlokker en doen pleger, de feitelijk leidinggever en opdrachtgever en het toerekenen van gedragingen van de rechtspersoon.
- De bewijslast bij het opleggen van een vergrijpboete (lees hier). Een vergrijpboete vereist de aanwezigheid van opzet of grove schuld. De Belastingdienst heeft hier een zware bewijslast. In de praktijk blijkt dat de Belastingdienst het bewijs vaak anders weegt dan de belastingplichtige. In dit artikel komt de bewijslastverdeling uitgebreid aan de orde. Dit artikel behandelt ook het pleitbaar standpunt, de afwezigheid van alle schuld (AVAS) en het adviseursverweer.
- Het voeren van verweer tegen een vergrijpboete (lees hier). Dit artikel behandelt de strafverminderende en strafverzwarende omstandigheden, alsmede de vrijwillige verbetering. Kennis van deze onderdelen is cruciaal bij het voeren van verweer tegen een vergrijpboete. Wij zien in de praktijk dat het voeren van een goed verweer vaak wordt onderschat en dat heeft nadelige gevolgen voor de uitkomst van een procedure. Ook behandelt dit artikel de vraag wanneer het verstandig is om te gaan procederen en wanneer niet.
Wat te doen bij een vergrijpboete van de Belastingdienst?
Belastingplichtigen die worden geconfronteerd met (de aankondiging van) een vergrijpboete dienen direct actie te ondernemen. Het is als eerste van belang om de boetegrondslag waar de inspecteur zich op beroept te analyseren. Ook dient een controle op de termijnen te worden uitgevoerd. Daarna kan een verdere uitwerking van de bewijsvoering worden opgesteld en kan verweer worden geformuleerd. Die elementen komen in onze afzonderlijke artikelen aan de orde. Daartoe behoort bijvoorbeeld ook de rol van een ingeschakelde adviseur. Het niet ondernemen van actie of direct overgaan tot het aanleveren van allerlei (nadere) informatie kan een nadelige uitwerking hebben en is daarom niet verstandig. Hebt u hulp nodig in een fiscaal boetedossier, neem dan contact op.
Meer over dit thema:
- De twee soorten boetes in het belastingrecht: verzuimboete en vergrijpboete.
- Het opleggen van een boete wegens medeplegen aan de belastingadviseur.
- Het opleggen van een boete door de Belastingdienst.
- Gebrek aan uitnodiging tot het doen van aangifte leidt niet tot vernietiging 67e-vergrijpboete.
- Vergrijpboete artikel 67f AWR niet mogelijk bij niet betalen van btw in andere lidstaat – Hoge Raad 2026.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan