Enkel invullen e-mailadres is onvoldoende voor kenbaarheidsvereiste artikel 2:14 Awb
- Publicatiedatum 23 nov 2025
- Aanpassingsdatum 23 nov 2025
- Leestijd 3 min
Een bestuursorgaan (zoals de heffingsambtenaar of de Belastingdienst) kan de wens hebben om digitaal te communiceren. Het elektronisch verzenden van berichten is toegestaan, mits de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Dit staat bekend als het kenbaarheidsvereiste van artikel 2:14 Awb (Algemene wet bestuursrecht). Op 21 november 2025 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dit kenbaarheidsvereiste. Het gaat in die zaak over een belanghebbende die online bezwaar heeft gemaakt en daarbij verplicht zijn e-mailadres heeft opgegeven. De vraag is of dit voldoende is om te concluderen dat aan het kenbaarheidsvereiste van artikel 2:14 Awb is voldaan. De Hoge Raad oordeelt van niet. In dit artikel behandel ik deze zaak.
Belanghebbende gaat via online formulier in bezwaar tegen naheffingsaanslagen
Aan een belanghebbende zijn naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Hij maakt bezwaar via de website en heeft de gevraagde informatie verstrekt. De heffingsambtenaar doet zijn uitspraak op 11 november 2022. Hij verklaart de bezwaren ongegrond en stuurt een e-mailbericht. In januari 2023 maakt de belanghebbende nogmaals bezwaar tegen deze naheffingsaanslagen. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Tegen deze uitspraak gaat de belanghebbende in verzet. Hij geeft aan de uitspraak van 11 november 2022 niet te hebben ontvangen. Ook geeft hij aan dat hij geen toestemming heeft gegeven om de uitspraak per e-mail te versturen. Volgens de rechtbank is de belanghebbende met het invullen van het online contactformulier en het digitaal opsturen ervan akkoord gegaan dat hij via de e-mail bereikbaar is. Hierover buigt de Hoge Raad zich.
Hoge Raad (2025): Inkleuring van het kenbaarheidsvereiste van artikel 2:14 Awb
Elektronische verzending is toegestaan als de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg voldoende bereikbaar is. In deze zaak is het de vraag of het vermelden van het e-mailadres in het contactformulier dat voldoende kenbaar maakt. Volgens de Hoge Raad moet per situatie worden beoordeeld of een uiting of gedraging van de belanghebbende voldoende is. De enkele bekendheid met het e-mailadres is onvoldoende. Dat geldt ook als de belanghebbende langs de elektronische weg een verzoek doet en daarbij zijn e-mailadres geeft. In deze zaak zijn er volgens de Hoge Raad onvoldoende feiten om aan te kunnen nemen dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt bereikbaar te zijn langs de elektronische weg. Daarbij weegt de Hoge Raad ook mee dat op het formulier niets stond over digitale vervolgcommunicatie en dat het invullen van een e-mailadres verplicht was. Het verzet van de belanghebbende is gegrond.
Advies over formeel belastingrecht en fiscaal procesrecht
In deze zaak gaat het in feite om de vraag of de belanghebbende nog op kan komen tegen een genomen besluit. De vaststelling dat het bestuursorgaan de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze heeft bekendgemaakt is daarbij essentieel. De Hoge Raad geeft daarbij aan dat bestuursorganen belanghebbenden wel kunnen vragen om expliciet kenbaar te maken (bijvoorbeeld in het aanvraagformulier) of en zo ja, hoe zij elektronisch bereikbaar zijn voor het besluitvormingsproces. Hebt u vragen over dit onderwerp of fiscale procedures in het algemeen? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan