Bewijslast bij betwisting van ontvangst van elektronisch verzonden stukken – Hoge Raad 2026
- Publicatiedatum 25 apr 2026
- Aanpassingsdatum 25 apr 2026
- Leestijd 5 min
De digitalisering heeft ertoe geleid dat steeds vaker informatie-uitwisseling met bestuursorganen langs de elektronische weg plaatsvindt, bijvoorbeeld via e-mail. Ook dan komt het voor dat de geadresseerde de ontvangst van stukken betwist. De wet (thans artikel 2:20 Awb, ten tijde van deze zaak: artikel 2:17 Awb) bevat regels over het tijdstip van ontvangst. De Hoge Raad heeft in een arrest van 10 april 2026 de bewijsregels van verzending en ontvangst bij elektronisch berichtenverkeer verduidelijkt (ECLI:NL:HR:2026:570). Dit artikel behandelt dit arrest.
Wat oordeelt de Hoge Raad in dit arrest over de ontvangst van elektronisch verzonden stukken?
De Hoge Raad verduidelijkt de bewijslastverdeling met betrekking tot de ontvangst van elektronisch verzonden stukken (bijvoorbeeld per e-mail). Dat is het toetsingskader dat hoort bij artikel 2:20 Awb. Verwoord in een stappenplan ziet het toetsingskader er als volgt uit:
- De ontvanger betwist de ontvangst van de stukken.
- De verzender moet aannemelijk maken dat het e-mailbericht is ontvangen op het e-mailadres van de ontvanger. Een bewijs van verzending naar het juiste e-mailadres is daarvoor voldoende en leidt tot een vermoeden van ontvangst.
- De (beoogde) ontvanger dient feiten en omstandigheden aan te voeren die redelijkerwijs twijfel doen ontstaan over de ontvangst van het e-mailbericht.
- De verzender dient nader bewijs te leveren van de ontvangst. Lukt dat niet, dan kan de verzender nog proberen aannemelijk te maken dat dit het gevolg is van aan de (beoogde) ontvanger toerekenbare omstandigheden.
Wanneer geldt een elektronisch verzonden stuk als ontvangen?
Als tijdstip waarop het bestuursorgaan een stuk elektronisch heeft ontvangen, gelden de volgende momenten:
- Het tijdstip waarop het stuk de systemen voor gegevensverwerking van het bestuursorgaan heeft bereikt.
- Het tijdstip waarop het bericht op andere wijze elektronisch toegankelijk is geworden voor het bestuur.
Dit is geregeld in artikel 2:20 Awb. Deze regel geldt specifiek voor verkeer langs de elektronische weg (bijvoorbeeld per e-mail). Dit is niet van toepassing bij verzending per post.
Heffingsambtenaar betwist ontvangst van per e-mail ingediend bezwaarschrift
De belanghebbende in deze zaak gaat in bezwaar tegen een WOZ-beschikking. Dat doet hij per e-mail. De heffingsambtenaar stelt dat hij het bezwaarschrift niet heeft ontvangen. De belanghebbende levert een schermafbeelding van zijn e-mailpakket aan. Daaruit komt naar voren dat de e-mail is ‘afgeleverd’ bij de heffingsambtenaar. Het geschil betreft de vraag of de belanghebbende met het aanleveren van een schermafbeelding aan zijn bewijslast heeft voldaan. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat dat niet het geval is.
Waarover gaat het geschil?
De rechtbank oordeelde dat de belanghebbende niet aan zijn bewijslast heeft voldaan (ECLI:NL:RBMNE:2025:7154). Nu de heffingsambtenaar de ontvangst gemotiveerd betwist, is het aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift heeft ontvangen. Het inbrengen van een schermafbeelding waarop te zien is dat de e-mail met het bezwaarschrift is verzonden, is daarvoor onvoldoende. De belanghebbende heeft niet meer bewijs dan de schermafbeelding, omdat zijn e-mailpakket geen ontvangst- of leesbevestiging ondersteunt. Dit laatste komt volgens de rechtbank voor rekening en risico van de belanghebbende.
Waarom gaat de belanghebbende in cassatie?
De belanghebbende gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Hij meent dat de schermafbeelding voldoende is om aan de bewijslast van de ontvangst van het bezwaarschrift te voldoen. Daarom is het oordeel van de rechtbank onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd.
Hoge Raad verduidelijkt bewijsregels inzake ontvangst bij elektronisch berichtenverkeer
De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat de verzending van e-mailberichten behoort tot het elektronisch berichtenverkeer. Op de verzending is daarom afdeling 2.3 Awb van toepassing. Het tijdstip van ontvangst is het moment waarop het bericht de systemen van de geadresseerde bereikt. Als deze stelt het e-mailbericht niet te hebben ontvangen, dan moet de verzender de ontvangst aannemelijk maken. In eerste instantie volstaat daarvoor een bewijs van verzending naar het juiste e-mailadres. In dat geval is een ontvangstvermoeden gerechtvaardigd. De bal ligt dan bij de geadresseerde. Die moet het vermoeden ontzenuwen. Dat kan door feiten en omstandigheden aan te dragen die twijfel rechtvaardigen over de ontvangst. Daarbij moet de geadresseerde in elk geval onderzoeken of het e-mailbericht op de dag van verzending haar systemen heeft bereikt. Neemt de geadresseerde deze bewijshorde, dan zal de verzender nader bewijs van ontvangst moeten leveren. Lukt het niet om de ontvangst aannemelijk te maken, dan moet de verzender aannemelijk maken dat dit komt door aan de geadresseerde toe te rekenen omstandigheden.
Rechtbank verdeelde bewijslast onjuist, maar oordeel blijft intact
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank de bewijslast onjuist heeft verdeeld. Dat leidt echter niet tot cassatie. Uit de nadere motivering van de rechtbank leidt de Hoge Raad af dat er redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De belanghebbende heeft als verzendende partij niet het van hem gevergde bewijs van ontvangst geleverd. Daarom blijft het oordeel van de rechtbank intact.
De gevolgen voor de praktijk
De Hoge Raad heeft de bewijslast verduidelijkt die geldt voor de ontvangst van een langs de elektronische weg verzonden stuk. Belanghebbenden die te maken krijgen met een bestuursorgaan dat de ontvangst van dergelijke stukken betwist, weten op basis van dit arrest wat hen te doen staat. In de eerste plaats is dat zorgen voor een bewijs van verzending naar het juiste e-mailadres. Daarna is het bestuursorgaan aan zet om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Dat zal in de praktijk niet altijd even eenvoudig zijn. Hebt u hulp nodig in een dergelijke casus, neem dan gerust contact op.
Meer over dit thema:
- Bewijs van tijdig verzenden bezwaarschrift of beroepschrift met de ontvangsttheorie en de verzendtheorie.
- Hoge Raad over datum van ontvangst van stukken bij digitaal procederen.
- Hoge Raad: Rechtbank pastte onjuiste bewijsmaatstaf toe bij beoordeling tijdigheid verzending beroepschrift.
- Enkel invullen e-mailadres is onvoldoende voor kenbaarheidsvereiste artikel 2:14 Awb.
Fiscale vraag?
Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.
"*" geeft vereiste velden aan