Stel een vraag
Rechtbank Noord-Nederland: belastingrente vennootschapsbelasting in strijd met evenredigheidsbeginsel
Formeel belastingrecht en procederenJurisprudentieVennootschapsbelasting kopieer en deel Naar kennisbank

Rechtbank Noord-Nederland: belastingrente vennootschapsbelasting in strijd met evenredigheidsbeginsel

  • Publicatiedatum 15 feb 2025
  • Aanpassingsdatum 18 jan 2026
  • Leestijd 6 min

De rechtbank Noord-Nederland oordeelt op 7 november 2024 dat het percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (ECLI:NL:RBNNE:2024:4361). Het bij besluit vastgestelde percentage is volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en leidt tot disproportionele gevolgen voor belastingplichtigen. Dit artikel behandelt de uitspraak van de rechtbank. Aan de orde komen het toetsingskader, de motivering van het vonnis en de gevolgen voor de praktijk. De conclusie van de Advocaat-Generaal (ECLI:NL:PHR:2025:1044 en ons artikel daarover) en het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:59 en ons artikel daarover) blijven hier buiten beschouwing en worden in afzonderlijke artikelen behandeld. De Hoge Raad heeft uiteindelijk dit oordeel van de rechtbank in stand gehouden.

Wat is de kern van dit arrest?

De rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de bepaling in het Besluit belasting- en invorderingsrente die het percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting regelt onverbindend is wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Hoewel de totstandkoming van de regeling voldoende zorgvuldig is geweest, kon de regelgever in redelijkheid niet tot de gekozen koppeling tussen de belastingrente en de wettelijke rente voor handelstransacties komen. De belastingplichtige is namelijk geen handelspartner van de overheid en de belastingrente ziet niet op een betalingsverzuim, maar op een te late formalisering van een schuld. Daarom verklaart de rechtbank de regeling onverbindend en vermindert zij de belastingrente overeenkomstig de eis naar 4%. In deze zaak is het gevolg dat de belastingrente wordt verminderd van € 90.969 naar € 45.485. Tegen deze uitspraak is sprongcassatie ingesteld.

Waarom maakt de belastingplichtige bezwaar tegen de belastingrente vennootschapsbelasting?

De belastingplichtige in deze zaak dient in juni 2023 de aangifte vennootschapsbelasting over 2021 in. De Belastingdienst legt de aanslag op en berekent belastingrente. De belastingrente bedraagt 8% en dat leidt tot een kostenpost van € 90.969. De belastingplichtige verzoekt om herziening van de belastingrente, maar dat verzoek wijst de inspecteur af. Dat doet hij ook met het bezwaar dat de belastingplichtige tegen deze afwijzing indient. Volgens de inspecteur is de belastingrente berekend met inachtneming van het Besluit belasting- en invorderingsrente. De belastingplichtige bestrijdt de berekening van de inspecteur niet, maar is van mening dat de hoogte van de belastingrente in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Over die vraag moet de rechtbank zich buigen.

Hoe toetst de rechtbank het percentage voor de belastingrente aan het evenredigheidsbeginsel?

De rechtbank moet beoordelen of het percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het percentage is opgenomen in een Besluit. De rechter is bevoegd om (een bepaling uit) een besluit te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit staat wel bekend als ‘exceptieve toetsing’. Bij het uitvoeren van een dergelijke toetsing geldt het volgende stappenplan:

  1. Toetsing van formele rechtsbeginselen (zorgvuldig en motivering).
  2. Toetsing van materiële rechtsbeginselen (zoals het evenredigheidsbeginsel).

De eerste toets betreft de vraag of de regelgever de bepaling voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en voldoende heeft gemotiveerd. Die informatie is namelijk nodig om de tweede toets goed uit te kunnen voeren. Bij die toets gaat het namelijk om de vraag of gegeven de motivering en onderbouwing sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.

Voldoende zorgvuldige totstandkoming en motivatie van het percentage voor de belastingrente

Het vaststellen van het percentage voor de belastingrente in een besluit gebeurt sinds 1 oktober 2020. Om te bepalen wat de beweegredenen van de regelgever zijn geweest, zijn echter ook de afwegingen over de periode voor 1 oktober 2020 van belang. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regels omtrent belastingrente kan worden afgeleid wat de motivering is geweest. Zo heeft de regelgever aandacht gehad voor de nadelige gevolgen voor belastingplichtigen in de vennootschapsbelasting. Het hanteren van een hoger rentepercentage voor deze groep is gemotiveerd door erop te wijzen dat het vooral ondernemers betreft. Daarom is het volgens de regelgever logisch om aan te sluiten bij de gedachte achter de wettelijke rente in het handelsverkeer. Die rente is hoger dan de wettelijke rente voor het niet-handelsverkeer. Deze rechtbank acht deze onderbouwing voldoende om door te kunnen gaan met de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.

Waarom faalt de koppeling van de belastingrente aan de handelsrente volgens de rechtbank?

Volgens de rechtbank kon de regelgever op basis van de gegeven onderbouwing in redelijkheid niet besluiten om de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te koppelen aan de wettelijke rente op handelstransacties, met als ondergrens 8%. Het argument dat het vooral ondernemers betreft die geraakt worden is onvoldoende. De gedachte achter de wettelijke handelsrente is namelijk dat in het handelsverkeer een hogere rente geldt dan in het niet-handelsverkeer. De belastingrenteregeling ziet op het niet-tijdig doen van aangifte en wordt dus in feite berekend over een nog niet geformaliseerde belastingschuld. Dat is heel iets anders dan een handelsvordering. Dat het dan toch logisch is om aansluiting te zoeken bij de wettelijke rente voor handelstransacties is door de regelgever nauwelijks gemotiveerd. De nadelige gevolgen voor belastingplichtigen zijn echter duidelijk. De ondergrens van het rentepercentage (8%) is al hoog, maar is in de praktijk ook nog eens veel hoger dan het rentepercentage voor andere belastingsoorten.

Doelstelling hogere belastingrente voor vennootschapsbelasting is onvoldoende onduidelijk

Verder geeft de rechtbank aan dat het moeilijk is om te achterhalen met welk doel het (hogere) tarief voor de vennootschapsbelasting is bepaald. Uit de totstandkomingsgeschiedenis komt naar voren dat de regelgever het sparen bij de Belastingdienst wil ontmoedigen. Ook is erop gewezen dat de belastingrenteregeling is gebaseerd op de verzuimrenteregeling uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Die laatste regeling is echter bedoeld om betalingsverzuimen aan te pakken. De belastingrenteregeling ziet niet op betalingsverzuimen, maar op aangifteverzuimen. Voor betalingsverzuimen kent het belastingrecht de invorderingsrente. De regelgever heeft dus aansluiting gezocht bij regels over betaalverzuimen, ook door te verwijzen naar de wettelijke rente.

Percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting in strijd met het evenredigheidsbeginsel

Volgens de rechtbank heeft de regelgever op basis van de gegeven onderbouwing in redelijkheid niet kunnen komen tot de geformuleerde bepaling over de belastingrente voor de vennootschapsbelasting. De duidelijk nadelige gevolgen voor belastingplichtigen zijn onevenredig in verhouding tot de (onduidelijke) doelen die op een zwak fundament rusten. De bepaling wordt daarom onverbindend verklaard. Partijen waren het er al over eens dat bij die uitkomst de belastingrente op 4% zou worden gesteld.

Wat zijn de gevolgen van dit arrest voor de praktijk?

Deze uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland heeft betekenis voor belastingplichtigen die zich geconfronteerd zien met belastingrente in de vennootschapsbelasting. Zolang de Hoge Raad geen definitief oordeel heeft gegeven, staat echter niet vast of dit vonnis in stand blijft. Voor aanslagen vennootschapsbelasting die nog niet onherroepelijk vaststaan is het van belang om tijdig in bezwaar te gaan. Staat de belastingrente op een voorlopige aanslag, dan dient eerst om herziening van de voorlopige aanslag te worden verzocht. De bezwaartermijn bedraagt zes weken, te rekenen vanaf de dagtekening van de aanslag. Een herzieningsverzoek moet zijn ingediend voordat de hiervoor genoemde bezwaartermijn eindigt. De verdere ontwikkeling van deze kwestie hangt af van de uitkomst van de sprongcassatie. Wie wil beoordelen wat deze uitspraak concreet betekent voor zijn of haar situatie, kan daarover uiteraard contact opnemen.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: