Stel een vraag
Adviseursverweer vergrijpboete vereist tijdige en volledige aanlevering informatie
Formeel belastingrecht en procederenJurisprudentie kopieer en deel Naar kennisbank

Adviseursverweer vergrijpboete vereist tijdige en volledige aanlevering informatie

  • Publicatiedatum 21 dec 2025
  • Aanpassingsdatum 21 dec 2025
  • Leestijd 6 min

Als een belastingplichtige een deskundige (bijvoorbeeld een belastingadviseur) inschakelt voor zijn belastingaangifte, dan kan dat in de weg staan aan het opleggen van een vergrijpboete. Dat is het geval als de belastingplichtige zorgvuldig heeft gehandeld en daardoor mocht vertrouwen op het werk van de deskundige. Het is dan niet ‘zijn schuld’ dat het niet goed is gegaan. Over de reikwijdte van dit ‘adviseursverweer’ bij een vergrijpboete bestaat al de nodige jurisprudentie. Op 19 december 2025 heeft de Hoge Raad zich hierover uitgesproken. In die zaak gaat het om de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige om tijdig de benodigde informatie aan te leveren bij de ingeschakelde deskundige. In dit artikel behandel ik deze uitspraak van de Hoge Raad.

Vergrijpboete wegens niet-aangegeven en niet-afgedragen btw

Deze zaak gaat over een fiscale eenheid omzetbelasting. Deze bestaat uit drie vennootschappen. Feitelijk staan deze onder leiding van dezelfde natuurlijke persoon als bestuurder. De btw-aangiften zijn ingediend door een ter zake kundige adviseur op basis van stukken van de belastingplichtige. Naar aanleiding van uit Duitsland ontvangen informatie stelt de Belastingdienst een onderzoek in naar de btw-aangiften. Deze blijken onjuist te zijn. Er zijn aangiften ingediend waarin gefactureerde btw uit de eerste helft van 2014 niet is opgenomen. Dit leidt tot naheffingsaanslagen. Ook legt de inspecteur een vergrijpboete op, omdat het aan de (voorwaardelijk) opzet van de bestuurder toerekenbaar zou zijn dat er te weinig omzetbelasting is aangegeven en is betaald. Het geschil spitst zich voor de rechter toe op de vraag of de vergrijpboete terecht is opgelegd. De boete is opgelegd aan de fiscale eenheid omzetbelasting en de inspecteur rekent de gedragingen van de bestuurder toe aan deze fiscale eenheid.

Belastingdienst legt vergrijpboete op, ondanks inzet van een adviseur

De belastingplichtige is van mening dat de vergrijpboete ten onrechte is opgelegd. Er zou haar geen verwijt treffen, omdat een ter zake kundige adviseur is ingeschakeld en hij daar volledig op heeft vertrouwd. Die is dan verantwoordelijk voor het op de juiste wijze indienen van de aangifte omzetbelasting. De bestuurder merkt op geen verstand te hebben van fiscale zaken en te vertrouwen op de adviseur. De Belastingdienst heeft een andere visie en meent dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Hij voert aan dat:

  • De belastingplichtige moest weten dat gefactureerde btw moet worden aangegeven en afgedragen.
  • Het de bestuurder was die de facturen maakte. Vervolgens maakte de adviseur de aangifte omzetbelasting op basis van door de bestuurder aangeleverde stukken en daarna betaalde de bestuurder op basis van de opgemaakte aangifte.
  • In een van de hoorgesprekken is aangegeven dat het niet-aangeven van de btw beter was voor de liquiditeit van de belastingplichtige. Hierbij was ook de adviseur betrokken.
  • Fouten van de adviseur voor rekening van de belastingplichtige komen, zeker als niet alle relevante informatie is aangeleverd.

Rechtbank bevestigt vergrijpboete en laat adviseursverweer vrijwel onbehandeld

De rechtbank oordeelt in 2022 dat de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechter wijst er onder meer op dat jarenlang dezelfde activiteiten zijn uitgeoefend en er ineens nihilaangiften werden ingediend. Daarvoor bestond bedrijfsmatig geen aanleiding. Ook zijn er ten onrechte geen facturen gemaakt en is er geld ontvangen zonder dat daartegenover een factuur staat. Deze ontvangen gelden zijn niet als omzet verantwoord. Op het argument dat er een adviseur is ingeschakeld wordt nauwelijks ingegaan. De rechtbank volstaat met de opmerking de feiten en omstandigheden wijzen op voorwaardelijk opzet en dat de belastingplichtige zelf ook kennis had van de fiscale regels. Verder wijzen wij erop dat de Hoge Raad het toetsingskader ‘aannemelijk maken’ bij vergrijpboeten na de datum van deze uitspraak bijgesteld op ‘overtuigend aantonen’, zulks op grond van artikel 6 EVRM.

Gerechtshof acht beroep op adviseursverweer terecht en vernietigt vergrijpboete

Het gerechtshof dient te beoordelen of de bestanddelen van het beboetbare feit overtuigend zijn aangetoond. Dat is volgens het hof niet het geval. Zij meent dat de inspecteur in feite zegt dat de belastingplichtige in het verleden de in rekening gebracht btw heeft aangegeven en afgedragen en dat daarom bekendheid bestond over de verplichting tot het afdragen van gefactureerde btw. Het hof wijst erop op basis van de gegeven verklaringen het niet valt uit te sluiten dat de belastingplichtige volledig heeft vertrouwd op de adviseur en zelf geen bewuste rol had in het aangifte- en betalingsproces. Verder wijst het hof erop dat het voorwaardelijk opzet voor elk van de tijdvakken overtuigend moet worden aangetoond. Ook dat is niet het geval, onder meer omdat de uiting in het hoorgesprek over de liquiditeitspositie van de belastingplichtige pas vanaf april 2014 speelde. Het gerechtshof vernietigt de opgelegde boete, omdat de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan.

Hoge Raad schetst kaders adviseursverweer en verantwoordelijkheid belastingplichtige

De Hoge Raad buigt zich over het gevoerde adviseursverweer in het kader van deze vergrijpboete. Hij benoemt eerst de hoofdregel. Als de belastingplichtige zijn aangifte laat verzorgen door een adviseur:

  • Die hij voor voldoende deskundig mag houden; en
  • Aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen,

Dan mag de belastingplichtige vertrouwen op de juistheid van de aangifte. Hiervoor is wel vereist dat de belastingplichtige alle informatie waarvan hij in redelijkheid mag aannemen dat die voor het opmaken van de aangifte nodig is, heeft verstrekt. Doet hij dat niet, dan heeft de belastingplichtige zelf niet voldoende zorgvuldig gehandeld. Wat precies ‘redelijkheid’ is, verschilt van geval tot geval. Hierbij tellen bijvoorbeeld de eigen kennis van de belastingplichtige en de gemaakte werkafspraken met de adviseur mee. De bewijslast dat hij de vereiste zorg heeft betracht bij de informatieverstrekking rust op de belastingplichtige.

Vernietiging oordeel gerechtshof en terugverwijzing

De Hoge Raad geeft eerst aan dat de Belastingdienst terecht de gedragingen van de bestuurder aan de belastingplichtige heeft toegerekend. Vervolgens merkt hij op dat de inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat de belastingplichtige de benodigde informatie niet tijdig aan de adviseur heeft verstrekt. Het gerechtshof heeft hieraan onvoldoende aandacht besteed en daarmee zijn oordeel dat de belastingplichtige geen voldoende verwijt treft ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze beoordeling alsnog te doen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Advies en bijstand in fiscale boeteprocedures

Het opleggen van een (vergrijp)boete ondanks de inschakeling van een deskundige (belasting)adviseur roept vaak onbegrip op. Het is verstandig om in die gevallen te beoordelen of een beroep op het adviseursverweer mogelijk is, omdat dit tot vernietiging (of sterke vermindering) van de vergrijpboete kan leiden. Hebt u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust vrijblijvend contact met ons op.

Civra-Hoge-resolutie-voor-afdruk-zonder-logo-in-Adobe-93-scaled-aspect-ratio-200-200

Fiscale vraag?

Hebt u een fiscale vraag of deskundig fiscaal advies nodig? Neem dan gerust eens vrijblijvend contact met ons op via onderstaand formulier.

"*" geeft vereiste velden aan

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Kennisbank. Lees ook artikelen over: